Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Zoeken naar gelijke kansen voor alle kinderen

Zoeken naar gelijke kansen voor alle kinderen

Auteur: Daniëlla van ‘t Erve

Ondanks alle initiatieven nemen tegenstellingen toe. Vier leidinggevenden uit het onderwijs over waarom en hoe zij zich extra inspannen voor kansengelijkheid op school.

‘We voeren ambitiegesprekken met leerlingen én hun ouders’

Hans van der Molen, bestuursvoorzitter van het Eemsdeltacollege in Delfzijl/Appingedam (Groningen) maakt zich sterk voor samenwerking tussen po, vo en mbo om in een krimpende regio om te gaan met de sociaaleconomische en culturele uitdagingen van de overgebleven bevolking.

“Kansengelijkheid is een zoektocht. Deze regio scoort hoog op laaggeletterdheid, lage inkomens, werkloosheid en uitkeringen. Een deel van onze leerlingen heeft dus meer nodig dan taal en rekenen alleen. Met alle scholen van po tot en met mbo hebben we daarom een programma ontwikkeld waarin naast cognitieve elementen ook aandacht is voor ict, ondernemend gedrag en het vergroten van het ambitieniveau. We laten zien wat werken betekent, welke (loopbaan)mogelijkheden er zijn en leren leerlingen zelf het initiatief te nemen. Ik vind kansengelijkheid een opdracht van de school, waarbij we ook van ouders wel meer mogen verwachten.

Dit jaar zijn we op alle scholen gestart met ambitiegesprekken met leerlingen én hun ouders. Het mooie is dat leerlingen leren te verwoorden wat ze willen bereiken, waarbij er tevens een andere interactie met leraren ontstaat.

In tegenstelling tot wat velen denken, zijn er kansen genoeg. Veel bedrijven hebben zelfs de grootste moeite om hoogopgeleiden te krijgen.

Als bestuurder richt ik me op de eerste plaats op kwalitatief goed onderwijs. Dat is best een uitdaging gezien factoren als krimp en populatie. Daarnaast zorg ik zowel intern als extern voor bewustwording over het belang van dit soort programma’s. Voor zaken die buiten het onderwijs liggen, zoals de coördinatie van zo’n programma, vind ik een bijdrage van de gemeenschap gerechtvaardigd. Het is vaak een kwestie van de lange adem om bij mensen commitment te creëren, maar het lukt wel. We krijgen bijvoorbeeld subsidies van OCW en Economic Board Groningen.

Persoonlijk voel ik me zeer verantwoordelijk voor een mooie toekomst voor alle leerlingen. Na veertig jaar in het vak maak ik me wel zorgen over ons onderwijssysteem. Het is veel te fijnmazig en de schotten zijn moeilijk te doorbreken. Ook zie ik de problemen in het vmbo groter worden. Iedereen vindt het vmbo geweldig, maar wel voor het kind van de buren. Dit is een maatschappelijk vraagstuk, uiteindelijk zal denk ik een stelselwijziging nodig zijn. Als we die discussie niet voeren, blijft het ­werken met lapmiddelen.”

‘Ieder kind heeft een talent’

Aziem Jarmohamed, directeur van de Imelda­school (po), is een van de aanjagers van de Rotterdamse Gelijke Kansen Alliantie.

“Het onderwerp is veel breder dan alleen gelijke kansen tussen kinderen. Het gaat ook over gelijke behandeling van bijvoorbeeld mbo- en hbo-studenten, tussen jongens en meisjes, maar ook op het gebied van afkomst en talent. Ieder kind heeft een talent en ik zie het als een belangrijke taak van de school om dat talent te ontdekken en ontwikkelen. Taal en rekenen zijn belangrijk, maar het welzijn van een kind staat voor mij op nummer 1. Als een kind lekker in zijn vel zit, zal het beter leren en presteren.

Wij gaan met elke ouder in gesprek over wat nodig is om hun kind zijn talent te laten ontwikkelen. We proberen partijen bij elkaar te brengen om dat mogelijk te maken. In Rotterdam hebben we bijvoorbeeld de schoolsportverenigingen, waar leerlingen van verschillende scholen samen kunnen sporten. Helaas ontbreken de financiële mogelijkheden om hen daarna een lidmaatschap aan te bieden voor een sportvereniging. Kansengelijkheid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. In Rotterdam heeft ongeveer de helft van de inwoners een migrantenachtergrond, daar kun je niet omheen. Van verschillen kun je leren. Door het gesprek aan te gaan, ga je dingen anders bekijken, wat tot betere resultaten leidt. Organisaties met medewerkers met verschillende achtergronden zijn dan ook succesvoller dan organisaties waarin iedereen hetzelfde is. Leren samenwerken is dus essentieel en dat kun je kinderen op school al bijbrengen. Vervolgens is het ook aan de samenleving om een handreiking te bieden. Iemand met talent moet goed gecoacht worden, want alleen red je het niet. En dat is ook kansengelijkheid: zorg ervoor dat je iedereen als gelijke behandelt en biedt hulp daar het waar nodig is.”

‘We verbreden onze focus’

Yolande de Beer is rector van het Marnix Gymnasium in Rotterdam en voorzitter van de Stuurgroep van de Talentenklassen. Hierin volgen jaarlijks 120 leerlingen uit groep 8 op woensdagmiddag alvast een programma op een vo-school. Deze leerlingen hebben potentie voor gymnasium of havo/atheneum, maar komen daar niet vanzelfsprekend terecht door hun sociaaleconomische achtergrond of taalachterstand.

“Jongeren zijn de toekomst. Kansengelijkheid is daarom een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarin scholen een belangrijke rol vervullen. Dat begint al met het schooladvies. Ik zie hierin nu te veel willekeur, en pleit ervoor dat daarnaast een eindtoets weer direct mee gaat tellen. De leerlingpopulatie op het Marnix Gymnasium is de laatste jaren steeds gevarieerder geworden, maar ik denk dat dat nog niet op veel gymnasia het geval is. Door de Talentenklassen lukt het om meer kinderen met een migrantenachtergrond binnen te krijgen. Ze zijn trots en enorm gemotiveerd om te presteren. Dat hun zelfvertrouwen groeit, is misschien wel de belangrijkste opbrengst. Het programma betalen we zelf, maar de gemeente en OCW dragen ook bij. Dit soort initiatieven die segregatie effectief tegengaan, zouden structureel door de overheid betaald moeten worden. Nu blijft het elk jaar onzeker of het weer door kan gaan.

Dat migrantenleerlingen het vervolgens minder goed doen dan anderen, herken ik. In verhouding zijn ze oververtegenwoordigd in de groep zittenblijvers of schoolverlaters. Een taalachterstand wordt vaak in het derde jaar op het vwo pas goed zichtbaar. Waar de meeste leerlingen vijf synoniemen voor een woord kennen, kennen zij er twee en dat kan ze opbreken. Daarnaast vraagt deze doelgroep om een andere mindset van docenten. Leerlingen met een migrantenachtergrond zijn vaak niet gewend om kritisch te zijn of vragen te stellen. Ze hebben vaker te kampen met een mismatch tussen school-, straat- en thuiscultuur. Bij een slecht cijfer zoeken ze soms sneller hun toevlucht in straatgedrag: stoer doen, onverschilligheid of een grote mond. Met de Transformatieve School, een onderzoeksproject van socioloog Iliass El Hadioui, leren docenten in te spelen op wat deze leerlingen nodig hebben. Na twee jaar zien we duidelijk effect: collega’s zijn opener, het omgaan met straatgedrag is niet meer iets wat iedere docent zelf moet zien op te lossen. Een volgende stap kan zijn dat we in onze didactiek meer ruimte geven aan andere taal- en cultuurgebieden. We laten nu de Arabische wereld bijvoorbeeld nog behoorlijk links liggen. Als we onze focus verbreden, spreken we deze leerlingen veel meer aan. En we verbreden de horizon van alle leerlingen, wat voor iedereen een stap vooruit betekent.”

‘Door samenwerken kun je echt verschil maken’

Gertrude Abbring is stedelijk programma-manager ABC in Amersfoort. Sinds 2000 werken scholen, kinderopvang en welzijnsorganisaties per wijk samen in Amersfoortse Brede Combinaties (ABC’s) aan het bevorderen van de ontwikkelingskansen voor alle kinderen.

“De conclusie uit de Staat van het Onderwijs dat verschillen op alle fronten toenemen, vind ik herkenbaar. Ook in Amersfoort laten veel hoogopgeleide ouders hun kinderen buiten de wijk naar school gaan of kopen extra ondersteuning in. Daardoor neemt de kansenongelijkheid toe. We bekijken nu hoe we zelf huiswerkbegeleiding kunnen aanbieden en we zijn bezig met het opzetten van een zomerschool. Hierdoor kunnen we de kinderen die het juist zo hard nodig hebben, iets extra’s bieden zodat hun kansen toenemen. Door samenwerken kun je echt verschil maken. Dat blijkt uit onderzoek van onderwijssocioloog Paul Jungbluth bijvoorbeeld, maar we merken het zelf ook. Toen we vijftien jaar geleden begonnen, waren de werelden tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ kinderen heel erg gescheiden. Zo bestaat ABC Kruiskamp-Koppel uit een van oorsprong zwarte basisschool, een witte basisschool en een school voor speciaal basisonderwijs. Met alle partners organiseren we activiteiten waarin kinderen elkaar ontmoeten. Dat er nu een enkele vriendschap ontstaat, ze soms samen spelen als ze elkaar tegenkomen, en vooral dat ze aangeven elkaar als gelijke te zien, vinden we heel waardevol. Voor het gevoel van eigenwaarde is ontzettend belangrijk te ontdekken dat ieder zijn eigen talenten heeft. Wij proberen ouders er daarom van te overtuigen om toch voor een school in de wijk te kiezen. Voor velen is de impact van hun keuze een eyeopener. Ze staan er niet bij stil dat die ten koste gaat van de saamhorigheid in de wijk. Of dat ouders van kinderen die wel in de wijk naar school gaan, het gevoel krijgen dat zij niet goed genoeg zijn. Juist als kinderen bij elkaar in de klas zitten, leren ze van elkaar. En dat is voor alle groepen interessant. We knopen allerhande geldpotjes aan elkaar en hebben de mazzel dat de gemeente flink bijdraagt. Het is een kwestie van de lange adem, maar de investeringen zijn de moeite waard. Zo is de zwarte school in Kruiskamp-Koppel inmiddels een kleurrijke school geworden.”

Gepubliceerd op: 19 mei 2018

Verschenen in

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Jaargids PO (2019-2020) (Met agenda en professionaliseringsaanbod)