Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Worstelen met functieveranderingen

Worstelen met functieveranderingen

Auteur: Astrid van de Weijenberg

Scholen krimpen, schoolbesturen bezuinigen. Vaak heeft dat consequenties voor de functie van de schooldirecteur. Dus ook voor zijn of haar arbeidsvoorwaarden. Schoolbesturen en schooldirecteuren worstelen er dikwijls mee.

In tijden van krapte zoeken schoolbesturen naar besparingen, onder meer door te schuiven met directeuren. Een schooldirecteur krijgt bijvoorbeeld meerdere scholen onder zich, de functie van adjunct-directeur verdwijnt, een schooldirecteur wordt locatieleider en is alleen nog verantwoordelijk voor het onderwijskundig leiderschap, een leerkracht krijgt er directietaken bij of een clusterdirecteur wordt schooldirecteur. Scholen denken over deze veranderingen vaak te gemakkelijk, merken de DGO-onderhandelaars van de AVS (Decentraal Georganiseerd Overleg, zie kader pagina 23). “In feite zijn dergelijke aanpassingen in de organisatie reorganisaties, al wordt dat niet altijd zo genoemd. Ook het creëren van nieuwe functies is een verandering in de organisatie, dus een reorganisatie.”

Een reorganisatie moet het schoolbestuur voorleggen aan de personeelsgeleding van de (G)MR, de P(G)MR dus. Die moet akkoord gaan. Zeker wanneer er nieuwe functies ontstaan die geen normfuncties zijn. Dat wil zeggen dat ze niet in de cao genoemd zijn. Locatieleider is bijvoorbeeld een niet-normfunctie. Zo’n functie moet beschreven en gewogen worden door een gecertificeerd weger om de bijpassende loonschaal te bepalen. Vervolgens dient het schoolbestuur een sollicitatieprocedure te starten. Het is niet vanzelfsprekend dat de persoon het moet worden die het bestuur in gedachten heeft of voor wie de functie misschien zelfs is gecreëerd. AVS-adviseur en DGOonderhandelaar Harry van Soest: “Bij good governance hoort dat je zo’n nieuwe functie openstelt voor iedereen die er belangstelling voor heeft.” Zijn er meer verantwoordelijkheden verbonden aan een functie, dan hoort daar een hogere beloning bij. Sommige schoolbesturen omschrijven de directiewerkzaamheden als taken bij de lerarenfunctie. “Dat is niet toegestaan.”

Papier versus praktijk
Waar liggen de verantwoordelijkheden? Dat is een belangrijk criterium voor de beloning. De moeilijkheid is dat dat op papier soms anders kan zijn dan in de praktijk. Een voorbeeld: een sbo-directeur heeft hierover een meningsverschil met zijn schoolbestuur. Dat heeft een paar jaar geleden een nieuwe managementstructuur doorgevoerd, met een nieuwe tussenlaag van clusterdirecteuren. De scholen kregen een locatiedirecteur.

Deze clusterdirecteuren worden betaald uit de vierdubbele bezuiniging op de schooldirecteuren, aldus deze directeur. Op de eerste plaats kregen nieuwe locatiedirecteuren niet langer een fulltime aanstelling. Ze werden in de meeste gevallen volgens de DA-schaal bezoldigd en niet meer volgens de DB-schaal. De functie van adjunct-directeur verdween en de directietoeslag werd teruggebracht tot ongeveer een derde. Het schoolbestuur heeft de nieuwe functie officieel laten wegen, conform de regels. Maar uit de eerste evaluatie bleek dat de afgesproken taken van locatiedirecteuren en clusterdirecteuren niet overeenkwamen met de dagelijkse praktijk. Toen is door het bestuur, eenzijdig dus, van de ‘taken’ ‘verantwoordelijkheden’ gemaakt, aldus de locatie/schooldirecteur. “De verantwoordelijkheden zouden bij de clusterdirecteur liggen en niet bij de locatiedirecteur. Maar toen een van onze scholen een ‘zeer zwak’ kreeg van de inspectie stapte de locatiedirecteur op en niet de clusterdirecteur.” De grootste ergernis van deze sbo-directeur is niet dat de arbeidsvoorwaarden minder zijn dan ze horen te zijn, maar het gebrek aan waardering voor en erkenning van de locatiedirecteur. “Alles wordt top down bepaald. Op een heidag zijn alleen de bestuurders en de clusterdirecteuren aanwezig. Er worden afspraken gemaakt over opbrengsten, over eindtoetsen, zonder dat de mensen erbij zijn die de scholen kennen. Locatiedirecteuren schrijven het jaarplan, staan op de bres bij calamiteiten. Ze ervaren een hoge werkdruk, maar zijn officieel geen gesprekspartner. Dat werkt zeer demotiverend. In de afgelopen jaren is een aantal mensen vertrokken. Deze constructie is niet aantrekkelijk voor goede nieuwe mensen. In het kader van de functiemix moeten er bovendien mensen in LC-schaal worden benoemd. Deze LC’ers verdienen meer dan de locatiedirecteuren, dat is onverteerbaar.” Volgens de AVS ontstaat dit verschil door de zwaarte van de functie.

Interpretatieverschil
AVS-adviseur en DGOonderhandelaar Theo van den Burger ziet steeds vaker gebeuren dat schoolbesturen worstelen met de functienamen. “Een werkgever in financiële nood probeert op allerlei manieren op salarissen te bezuinigen. Schooldirecteuren passen zich aan. Soms uit onwetendheid, soms om geen conflict te krijgen. De hypotheek moet ook betaald worden.” Zo’n conflict is niet altijd nodig, weet Van den Burger uit ervaring. Het gaat om de juiste toepassing van de cao. Dat kan tot interpretatieverschillen leiden. Er zijn ook werkgevers die dat zonder conflict met hun schoolleiders uitzoeken. Zo heeft een meerscholendirecteur in dienst bij een onderwijsstichting in het zuiden van het land een meningsverschil over de honorering van zijn locatieleiders. Die overigens niet zo mogen heten. Het zijn leerkrachten met directietaken. Beloning: twee dagen ambulant. De directeur is zelf verantwoordelijk voor drie scholen en heeft drie prima locatieleiders. “Het gaat hen ook niet om het geld, het gaat erom dat gezien wordt wat ze doen.” Bij zijn aanstelling had de bedongen dat zijn drie scholen ieder een locatieleider zouden krijgen. Door de wisseling van bestuurder is die afspraak in vergetelheid geraakt. De cao had het uitgangspunt moeten zijn voor een arbeidsvoorwaardengesprek, vindt hij. Dat heeft niet plaatsgevonden. “Raadpleeg bij aanstelling goed de cao” is dan ook zijn advies aan iedere schoolleider. De meerscholendirecteur vindt namelijk ook dat hij een te lage directietoeslag krijgt. “Als alle directietaken bij mij liggen en niet bij de locatieleiders, zoals het bestuur zegt, dan zou ik de directietoeslag (298 euro per BRIN-nummer) voor ieder van de drie scholen moeten krijgen. Het bestuur krijgt namelijk ook voor iedere school een directievergoeding. Ik krijg dat nu niet.” De directeur heeft een juridisch adviseur in de arm genomen om de kwestie uit te laten zoeken. “Overigens in goede harmonie met mijn werkgever.” De AVS is vooralsnog van mening dat het onderwerp een bespreekpunt is tussen bestuur en PGMR (art. 6.29a, lid 2, CAO PO).

Directietoeslag
Daarnaast is de directietoeslag voor directeuren die aan meerdere instellingen verbonden zijn onderhandelbaar. “Als een directeur akkoord gaat met twee euro dan kan dat”, aldus de DGO-onderhandelaars van de AVS. Aan de bovenkant zit wel een begrenzing. De toeslag mag niet overdadig zijn. “Dat wil dus zeggen dat een directeur moet durven onderhandelen over de hoogte ervan. Vooral als hij meerdere scholen onder zich heeft. Directeuren zijn nog niet zo gewend om eisen te stellen.”

Dat is ook het geval als de functie van directeur vervalt, of als de directeur locatieleider of locatiecoördinator wordt. Over alles wat rechtspositionele gevolgen heeft, moet DGO (decentraal georganiseerd overleg) gevoerd worden. Ook hierover. Werknemers, dus ook directeuren, kunnen alleen met behoud van salaris een lagere functie toegewezen krijgen. Toch gebeurt het vaak dat directeuren onder druk van hun bestuur toestemmen met een LB-honorering. Ook hierbij heeft de P(G)MR een belangrijke functie. Van Soest: “Dat vergt veel van de P(G)RM-leden. Zeker omdat ze ook gewoon werknemer zijn en dus afhankelijk van het bestuur. Ze moeten tegen de druk kunnen en bovendien feeling hebben met directiefuncties. Directeuren denken vaak: ze beslissen over ons zonder ons.”

Schooldirecteuren voelen zich vaak niet vertegenwoordigd door de GMR. Volgens de helpdeskadviseurs is het een wijdverbreide misvatting dat directeuren geen lid mogen zijn van de GMR. Dat is alleen het geval als de directeur een verlengstuk is van het bestuur, gemandateerd door het bestuur. Is dat niet het geval dan kan de directeur gewoon zitting nemen in de GMR. In de praktijk gebeurt het nogal eens dat de PGMR besluiten neemt over de rechtspositie van directeuren zonder dat directeuren daarin gekend zijn. “Zorg op zijn minst dat je contact hebt met die directeuren”, is het AVS-advies aan PGMR-leden.

Werkgelegenheidsbeleid
Bij bezuinigen en krimp is te overwegen werkgelegenheidsbeleid te voeren, aldus Van den Burger. “Bij krimp is ontslag via het last-in-firstoutprincipe, zoals sinds jaar en dag gebruikelijk, het meest eenvoudig. Het levert meteen geld op op de begroting. Werkgelegenheidsbeleid kost in eerste instantie geld, omdat je mensen stimuleert eerder te vertrekken. Maar de huidige praktijk laat in alle gevallen zien dat wat je extra uitgeeft, je op termijn ruimschoots terugverdient. Wij zijn bij heel wat sociale plannen betrokken. Opmerkelijk is dat we bijna nooit in de fase komen van gedwongen ontslag. Het aantal mensen dat vrijwillig gaat, is bijna altijd voldoende. Het enige is dat schoolbesturen wel het geld in kas moeten hebben om dergelijke sociale plannen te bekostigen.”

Het is niet alleen een kwestie van geld waarom Van den Burger pleit voor het nauwgezet uitvoeren van de regelgeving in plaats van het te zoeken in uitgeklede functies met uitgeklede salarissen. Het is ook een kwestie van imago. Schoolbesturen onderschatten de consequenties van juridische procedures, vindt hij. Juridische procedures voeren past niet bij het onderwijs. Niet vanuit goed werkgeverschap, niet vanuit de Code Goed Bestuur. Van den Burger: “Wie er ook wint, iemand lijdt gezichtsverlies. Bestuurder of directeur. En dat terwijl je elkaar hard nodig hebt. Je loopt bovendien het risico dat directeuren knarsetandend hun werk doen, terwijl je juist enthousiasme nodig hebt in deze functie.”
 

De AVS in de centraal georganiseerd overleg
Het Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO) in het primair onderwijs vindt plaats tussen een of meer schoolbesturen en de vakbonden, waaronder de AVS. De wet en de cao verplichten in een aantal gevallen dat er DGO plaatsvindt. Bijvoorbeeld over gevolgen van fusies, bij reorganisaties, of wanneer een bestuur van de cao af wil wijken. Er is ook een speciale DGOgeschillencommissie, die bindende uitspraken kan doen. Dit speciale overleg in het onderwijs is ingesteld met als achtergrond dat medezeggenschapsraden niet dezelfde positie hebben als ondernemingsraden in het bedrijfsleven.

Meer informatie: www.avs.nl/dossiers/personeelsbeleid/caodgo

Gepubliceerd op: 14 januari 2014
Let op!
Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.

Verschenen in

Thema's

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

De jaartaak in het primair onderwijs (Nieuwe versie juni 2019)