Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » ‘We zien onvoldoende’
Aanscherpen meldcode moet kindermishandeling terugdringen

‘We zien onvoldoende’

Auteur: Irene Hemels

Het aantal kinderen dat slachtoffer is van kindermishandeling neemt maar niet af. Door het melden van een vermoeden te verplichten, hoopt staatssecretaris Van Rijn (VWS) dat mishandeling sneller in beeld komt, eerder stopt en de kans op herhaling verkleint. Veel scholen hebben intussen weinig vertrouwen in Veilig Thuis, het meldpunt voor kindermishandeling.

Jaarlijks zijn 119.000 kinderen het slachtoffer van kindermishandeling. Dat aantal is al jaren onverminderd hoog. De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling die sinds 1 juli 2013 van kracht is heeft daar niets aan veranderd. Staatssecretaris Martin van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gaat de meldcode daarom aanscherpen. Leraren en andere professionals die dicht bij het kind staan moeten straks een vermoeden van ernstige mishandeling melden bij Veilig Thuis, sinds 2015 het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze kan dan een veiligheidstoets uitvoeren. Doordat het advies- en meldpunt ook vermoedens vastlegt en niet alleen echte meldingen, kan bij (nieuwe) meldingen de voorgeschiedenis worden meegewogen.
 
Op de radar
Niko Persoon, bestuursvoorzitter van Zaan Primair, is voormalig lid van de Taskforce Kindermishandeling en seksueel misbruik. Deze is eind 2016 overgegaan in de Beweging tegen Kindermishandeling, waar ook de AVS in vertegenwoordigd is (zie kader pagina 14). Persoon vindt de aanscherping een eerste stap in de goede richting. “In het huidige systeem kan het zijn dat er sprake is van kindermishandeling, terwijl het niet bekend is bij Veilig Thuis omdat je nu bij stap vijf in de meldcode kunt kiezen tussen zelf hulp organiseren of melden. Door een verplichte melding bij stap twee komen alle kinderen op de radar. Daarmee is mishandeling nog niet opgelost, maar is wel voldaan aan een belangrijke voorwaarde. Pas als je huiselijk geweld en mishandeling in beeld hebt, kun je verdere stappen ondernemen.”
Persoon verwacht dat de aanscherping leidt tot meer meldingen. “Het percentage afkomstig van scholen ligt tussen de 5 en 10 procent. Dat is heel laag. We moeten daarbij wel bedenken dat daar waar goed wordt samengewerkt met sociale (wijk)teams of jeugdzorg het zo kan zijn dat deze organisaties melden in plaats van de school. Neemt niet weg dat we onszelf in het onderwijs nog wel kunnen versterken als het gaat om signaleren. We zíen onvoldoende. Scholen signaleren één op de vijf gevallen van kindermishandeling; we missen dus de signalen van vier van de vijf kinderen.”
 
Relatie met ouders
Babs Schipper, schoolleider van obs de Delta in Assendelft (onderdeel van Zaan Primair) wil best geloven dat scholen meer moeten signaleren en melden. “Over het algemeen denk ik dat het bij ons wel op orde is. Soms is er wel een dilemma. Je wilt altijd ook in verbinding blijven met ouders. Als het noodzakelijk is doen we een melding, dan zijn we niet helpend door op de relatie met ouders te blijven zitten. Ik vind het heel goed als er dossiers worden aangelegd om een verhaal op te kunnen bouwen.”
Schipper benadrukt de rol van de schoolleider. “De directeur is de drijvende kracht als het gaat om de veiligheid van kinderen. Leerkrachten zijn de hele dag druk met de klas. Zij signaleren veel, maar het is de schoolleider die het lef moet hebben om door te pakken en veiligheid boven privacy te stellen of boven klachten van ouders die op je af kunnen komen.”
 
Terugkoppeling
Schipper legt de vinger op nog een andere zere plek: het gebrek aan terugkoppeling naar de school door Veilig Thuis en dat het soms lang duurt voordat er iets gebeurt na een melding. “Na een melding horen we meestal niets meer, terwijl Veilig Thuis verplicht is om een terugkoppeling te doen naar de melder.
Als we zelf nabellen krijgen we te horen dat vanwege privacyoverwegingen geen informatie kan worden verstrekt of dat het onderzoek is afgerond. De school blijft dan zitten met niks. Je maakt je zorgen en weet niet zeker of er wat wordt gedaan. Met een goede terugkoppeling worden leer- en gedragsstoornissen verklaarbaar, maar kunnen we ook simpelweg betere ondersteuning bieden. Het is ook gek dat nader onderzoek plaatsvindt zonder met de school te spreken. We hebben waardevolle informatie waar niets mee gedaan wordt. We zijn geen zorgverleners, maar wel professionals in de omgang met kinderen. Ik snap dat scholen soms niet meer melden omdat ze denken dat het geen zin heeft, maar goedkeuren doe ik dat natuurlijk niet.”
 
Gebrek aan vertrouwen
Terwijl scholen een belangrijke rol spelen omdat ze kinderen vijf dagen in de week zien, ervaren ze drempels om een melding te doen, bleek ook uit een televisie-uitzending van De Monitor (4 december 2016). Tanno Klijn, voorzitter van het Netwerk Veilig Thuis, noemt daarin het gebrek aan vertrouwen een probleem en wil met scholen in gesprek. Zijn de verwachtingen van het onderwijs soms te hoog? Schoolleider Schipper wijst op de stroperigheid van de hulpverlening: “Voor ons lijkt het nogal eens alsof er niets gebeurt. Hulp komt langzaam op gang en gaat traag. Soms zit de jeugdbescherming al jaren op een gezin en nog steeds zitten kinderen in de knel.” Rapporten van de Kinderombudsman over jeugdhulp bevestigen dit beeld en wijzen op wachtlijsten bij enkele Veilig Thuis-organisaties, waardoor meldingen niet binnen de wettelijke termijn van tien weken worden afgehandeld. Schipper: “Ik snap wel dat het ingewikkeld is en misschien willen we als onderwijs te snel resultaten zien, maar het is moeilijk als je geen vooruitgang bij een kind ziet en soms zelfs achteruitgang. Als we dan ook nauwelijks geïnformeerd worden, raak je weleens moedeloos.”
 
Versnipperd
Annette Roeters, directeur van de Raad voor de Kinderbescherming – die overigens pas in beeld komt als niet verplichte en sanctieloze hulpverlening (opvoedingsondersteuning, jeugdzorg, et cetera) niet meer werkt – erkent dat de toegang tot hulp regelmatig als knelpunt wordt ervaren. “Het hulpaanbod is versnipperd en professionals weten niet altijd waar zij terecht kunnen met vragen of meldingen. Dat partners in de keten niet altijd goed op elkaar aansluiten is een veelgehoorde klacht. Het is soms een illusie te denken dat alles keurig en geordend opgelost kan worden. De zorg rond het kind werkt vaak als een scrum, met veel mensen die betrokken zijn en samenwerken aan het behalen van een doel. Dat lijkt altijd wat rommelig.”
De transitie van de jeugdzorg was in het licht van preventie van kindermishandeling een goede stap, benadrukken zowel Roeters als Persoon. “Veiligheid dichtbij organiseren is een kans, omdat de gemeente dicht bij de burger staat en beter weet wat er speelt. Gemeentes moeten wel nadrukkelijker dan nu de vinger aan de pols houden bij de kwaliteit van hulpverlening.” Een rapport van de Kinderombudsman uit januari 2016 signaleert echter dat door de decentralisatie en de nieuwe Veilig Thuis-organisaties de korte lijnen die er vóór 2015 veelal waren weer opnieuw moesten worden opgebouwd.
Op 1 januari 2018 moet het onderwijs – net als andere beroepssectoren – een veldnorm opstellen die omschrijft bij welke aard en ernst van kindermishandeling melden bij Veilig Thuis verplicht wordt. Roeters denkt dat hiermee de bewustwording een boost krijgt. “Kindermisbruik is een veelkoppig monster. Het is niet eenvoudig of eenmalig. Het gaat erom dat we het onder ogen durven zien en niet wegkijken. De ontwikkeling van een veldnorm gaat gepaard met discussie over wat kindermishandeling is en wanneer het meldenswaardig is.”
 
Wispelturige praktijk
In Zaanstad gaan ze binnenkort good practices met elkaar bespreken om de samenwerking en afstemming tussen de betrokken partijen te verbeteren. Schipper van obs de Delta: “Organisatorisch is het best goed geregeld. Jeugdteams, wijkteams en scholen werken nauw samen en toch is de praktijk wispelturig. Onlangs zijn we met z’n allen om de tafel gaan zitten, ook met Veilig Thuis. We hebben afgesproken om met elkaar te bespreken: wat maakt dat hulpverlening in het ene geval succesvol is en in het andere geval niet? Ik verwacht dat bepaalde zaken straks sneller opgepakt zullen worden.”
 
De vraag is of Veilig Thuis haar nieuwe taak kan waarmaken als het wantrouwen van scholen, als vindplaats van kindermishandeling, zo groot is. Ondanks alle kritiek vertrouwt Schipper erop dat het advies- en meldpunt zich transparanter en kwetsbaarder zal opstellen. “Het kan niet anders dan met verbeteracties komen om hetgeen wat nu al moet ook na te komen. Daarnaast moet Veilig Thuis de school als partner meenemen in het monitoren van de voortgang van het proces. De attitude ‘we laten niet los voordat de situatie van het kind ook echt is verbeterd’ moeten we met elkaar veel duidelijker neer­zetten!” _

Gepubliceerd op: 9 januari 2017

Verschenen in

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Goed onderwijs, goede MR (7e herziene uitgave september 2018)