Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Van vindplaats naar werkplaats
Overdracht van po naar vo te vrijblijvend

Van vindplaats naar werkplaats

Auteur: Irene Hemels

Op de weg naar een ononderbroken schoolloopbaan en een doorlopende zorglijn liggen flink wat hobbels. Primair en voortgezet onderwijs zijn nog te veel gescheiden werelden. En door ingewikkelde overlegstructuren komt een goede samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg op veel plaatsen niet goed van de grond. Bovendien ontbreekt effectieve regie. Knelpunten en oplossingen op een rij.
 
Tijdens regionale bijeenkomsten die de AVS in januari en februari organiseerde in Venlo, Duiven, Heerenveen en Middelharnis gingen schoolleiders uit basis- en voortgezet onderwijs met elkaar in gesprek. Iedereen is voor een betere afstemming tussen deze sectoren en het binnenhalen van jeugdzorg in de school. Maar de knelpunten zijn nog talrijk. School is weliswaar vindplaats, maar nog zeker geen werkplaats waar onderwijs en zorg optimaal zijn afgestemd op de behoeften van elk kind.
Leidraad voor de discussies was het rapport ‘Samen voor een ononderbroken leerlijn’ (2014) van de Onderwijsraad. Het uitgangspunt van een ononderbroken schoolloopbaan, waarin het talent van een kind en de kans om zich maximaal te ontwikkelen centraal staan, wordt gedeeld door zowel po als vo. Zo ver is het echter nog niet, omdat po en vo nog te veel gescheiden werelden zijn. Met name in het vo is differentiatie en gepersonaliseerd onderwijs vaak nog moeilijk, omdat het onderwijs meer rond afdelingen en vaksecties is georganiseerd dan rond groepen, zoals in het basisonderwijs. Maatwerk leveren in het vo is lastig. Zeker als het gaat om het opvangen van diverse leerachterstanden en zorgleerlingen uit het po. Ook terugplaatsing uit het speciaal onderwijs verloopt vaak moeilijk.
 
Casemanager
De ontwikkeling in de school van vindplaats naar werkplaats is een grote uitdaging. Een belangrijk advies is de overdracht tussen po en vo anders in te richten. De warme overdrachten ten spijt is de huidige manier van overdragen vaak te vrijblijvend. In het beste geval is het vooral een momentopname. Het funderend onderwijs moet naar een vorm van overlap, waarbij sprake is van langdurige gezamenlijke verantwoordelijkheid, en waar dit aan de orde is met volledige betrokkenheid van jeugdzorg. Bij zorgleerlingen zou een vaste casemanager vanaf bijvoorbeeld groep 7 tot halverwege het vo aanspreekpunt kunnen zijn. Ook wordt gedacht aan opvolggesprekken door de leerkracht van groep 8 en de inrichting van regionale gesprekken bij het matchen van leerling en school.
Samenwerkingsverbanden kunnen in het proces naar een goede afstemming tussen po en vo een rol spelen. Op dit moment gebeurt dat nauwelijks omdat samenwerkingsverbanden nog vooral bezig zijn met hun eigen inrichting en beleidsbepaling (operationeel maken van het eigen beleid). Dit raakt aan een ander knelpunt. Samenwerkingsverbanden kunnen schoolleiders actiever betrekken bij de beleidsvorming. Nu worden schoolleiders meestal slechts geconsulteerd, waardoor samenwerkingsverbanden op een grote afstand van het primaire proces staan. AVS-voorzitter Petra van Haren, die bij alle bijeenkomsten aanwezig was: “Schoolleiders zijn eindverantwoordelijk voor het uitvoeren van beleid. Neem hen meer mee in het beleidsvoorbereidende proces, daarmee ontstaat eigenaarschap met een grotere kans op succes.”
 
Zoektocht
Ook de afstemming tussen onderwijs en jeugdzorg is nog verre van optimaal. Door gebrek aan goede regie en het naast elkaar bestaan van veel overlegstructuren, komt een goede samenwerking moeizaam van de grond, constateert Van Haren. “Op zeldzame plekken zal het anders gaan, maar over de hele breedte is het nog steeds een zoektocht naar wie de regie heeft en wie daar toezicht ophoudt.” Zo ontbreekt bij jeugdzorg effectieve regie, omdat ze in feite nog aan het begin van hun transitie staan. Er zijn weliswaar goede voorbeelden van jeugdhulpverlening die structureel onderdeel is van de ondersteuningsstructuur op school, maar de fysieke afstand tussen school en jeugdhulpverlening maakt op veel plaatsen een schoolnabije invulling van jeugdzorg lastig.
 
Daarnaast spelen andere knelpunten een rol. Het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) tussen samenwerkingsverbanden en gemeenten is vaak vrijblijvend en niet functioneel: een actievere inbreng van schoolbesturen of schoolleiders in het lokale overleg met gemeenten is nodig. Op de scholen is niet overal een goede structuur van zorgadviesteams. Ondersteuningsteams functioneerden op een aantal plekken heel goed, maar de brede verbinding met veiligheidsnetwerken is op veel plekken recent juist uitgekleed in plaats van versterkt en maatschappelijk werk in de school is niet overal aanwezig of niet laagdrempelig genoeg.
Het gemis aan een gemeentelijke visie op onderwijs helpt ook niet mee. Door gemeenten wordt vaak gehandeld vanuit budgetten. Rechtmatigheid en financiën zijn dan het uitgangspunt in plaats van de inhoud en de zorg die nodig is. Er is bij gemeenten wel een proces gaande om vanuit de transitie de jeugdzorg te verbinden aan onderwijs, maar dit staat veelal nog in de kinderschoenen.
 
Interprofessionele teams
Door het ontbreken van een goede regie op veel plekken is succes meestal afhankelijk van individuele medewerkers. Uit de praktijk blijkt dat een ondernemende opstelling van de schoolleider leidt tot snellere oplossingen. Daar waar de schoolleiding actief betrokken is bij een casus, worden vaak andere besluiten genomen die meer in het belang van het kind zijn. Dit raakt aan de behoefte om de positie van de schoolleiding binnen Passend onderwijs te versterken. De schoolleider is als onderwijskundig leider in de school, samen met de intern begeleider, de belangrijke schakel bij het vertalen van Passend onderwijs in de dagelijkse praktijk. De schoolleider is ook de verbindende factor om te komen tot de school als werkplaats waar interprofessioneel wordt samengewerkt.
In het onderwijs is een leerprobleem vaak het eerste signaal dat er iets aan de hand is. Bij doorverwijzing naar jeugdzorg wordt de terugkoppeling door jeugdzorg als onvoldoende ervaren. De goede voorbeelden laten zien dat jeugdzorgmedewerkers op school, bijvoorbeeld als pedagogisch coach in teams of spreekuren, echt onderdeel van de school kunnen zijn en als collega meedraaien met een eigen taakstelling. Naast het directe contact met kinderen en ouders worden daarmee ook leraren op school bereikt en ib’ers ontlast. Een jeugdzorgspreekuur op elke school is een belangrijk doel. Jeugdzorgmedewerkers die daarbij ondersteunen vanuit de supportbenadering kijken niet meer alleen in termen van behandelen, maar brengen expertise in en leren leraren ondersteuning te bieden in de schoolomgeving. Uitgangspunt blijft dat leraren natuurlijk geen behandelaars worden: onderwijs is immers hun core business.
 
Gezamenlijke scholing
Over het algemeen worden de verschillen in cultuur tussen onderwijs en jeugdzorg door schoolleiders als hinderlijk ervaren. Onderwijs is gericht op de ‘normale’ ontwikkeling, terwijl jeugdzorg vooral gericht is op de ‘afwijkende’ ontwikkeling. De omslag naar de supportbenadering door jeugdzorgmedewerkers, waarbij de school zowel vindplaats is als de plek waar je met elkaar aan het werk bent, is een stap in de goede richting. Maar deze ontwikkeling staat aan het begin. Dezelfde taal leren spreken door onderwijs en jeugdzorg is nog altijd een grote uitdaging. Om ­cultuur- en communicatieverschillen te overbruggen, is investeren in een overstijgend professionaliseringsaanbod voor zowel onderwijs- als jeugdzorgmedewerkers noodzakelijk.

Door gezamenlijke scholing leer je elkaars taal spreken, elkaars context begrijpen en instrumenten beter op elkaar afstemmen. Denk aan een scholing ‘leren observeren’. Als je dit met verschillende disciplines samen doet, leer je veel van elkaar en dat komt de interdisciplinaire samenwerking ten goede. Het onderwijs kan bijvoorbeeld ook beter leren portfolio- en feedbackgesprekken te voeren of daarbij gebruikmaken van de kwaliteit van interviewen in de jeugdzorg. Wat zijn goede manieren om de ander ‘uit te vragen’? Wat doe je? Wat is werkzaam? Hoe zijn de wederzijdse verwachtingen? Van Haren: “Twee werelden en systemen bij elkaar brengen begint met praten en overleggen. Door samen casussen te bespreken leer je vanuit welke context de ander kijkt. Je slecht een kloof, leert elkaars taal spreken en verhoogt je eigen kwaliteit. Hier wordt iedereen beter van.” 

Gepubliceerd op: 9 april 2016

Verschenen in

Kader Primair 8 (2015-2016) (Verder in dit nummer)

Doelgroep(en)

Primair onderwijs, Voortgezet onderwijs

 

Deel dit artikel

Jaargids PO (2019-2020) (Met agenda en professionaliseringsaanbod)