Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Van afschaffen nullijn tot een conciërgewoning naast de school en lesgevende schoolleiders
Vergelijking verkiezingsprogramma’s politieke partijen - thema onderwijs

Van afschaffen nullijn tot een conciërgewoning naast de school en lesgevende schoolleiders

Auteur: Vanja de Groot

Met de verkiezingen vlak voor de deur dook Kader Primair in de diverse partijprogramma’s en zette de belangrijkste onderwijsstandpunten op een rij. Er klinken veel dezelfde geluiden door, maar op sommige vlakken staan de politieke partijen lijnrecht tegenover elkaar.

De nullijn in het onderwijs gaat als het aan de PvdA en de SP ligt onmiddellijk van tafel: “De lerarensalarissen moeten de loonontwikkeling in de markt volgen.” Wat D66 betreft lopen de lerarensalarissen vanaf 2013 weer in de pas met de salarissen in de marktsector. GroenLinks wil de nullijn vanaf 2014 laten vervallen.
 
Minder bureaucratie en overhead
Het CDA wil komen tot nieuwe bestuurlijke verhoudingen tussen overheid en onderwijs. Met meer ruimte voor scholen, vrijheid en verantwoordelijkheid om zelf de lat hoger te leggen. Daartoe zou een ‘Nationaal Onderwijsakkoord’ gesloten moeten worden tussen overheid, vakbonden, schoolbesturen en organisaties van ouders en leerlingen. Voorwaarde is dat de onderwijskwaliteit en de onderwijsresultaten toenemen. Zo niet, dan zal toezicht en controle worden geïntensiveerd. Ook GroenLinks roept op tot een Nationaal Onderwijsakkoord, “dat bestaande vormen van afstemming versterkt en als doel heeft om elke leerling voldoende aandacht en begeleiding te kunnen geven”. Onder andere door minder management wil de partij de leerkracht weer de ruimte geven om zijn werk te doen.

D66 wil de relatie tussen scholen en de lokale, regionale en landelijke overheid versimpelen en directer maken ten behoeve van meer vrijheid en minder regeldruk en rapportages voor scholen en instellingen: “Maar zodra de kwaliteit achterblijft en een school zwak is, stapt de overheid in om eisen te stellen.” Het aantal semi-overheidsinstituten en de bijkomende kosten kunnen worden teruggebracht, aldus de partij. D66 vindt verder dat de kosten voor management moeten worden beheerst en in sommige gevallen ook fors teruggebracht. Daarnaast wil de partij af van urennormen.

De ChristenUnie (CU) pleit voor een organisatiestructuur waarbij het management zo laag mogelijk bij de basis wordt gehouden en waarin de overheid eveneens een stap terugdoet en zich beperkt tot het scheppen van voorwaarden: “Hierbij passen lumpsumbudgetten beter dan projectsubsidies en geoormerkt geld.” Verder wil de partij de regeldruk en de verantwoordingsplicht voor ontvangen gelden verminderen door onder andere het schrappen van 30 procent van de kerndoelen en meer vrij besteedbare budgetten. Christelijke bondgenoot SGP wil subsidies voor specifieke regelingen en projecten ook zoveel mogelijk voorkomen.

De PVV wil dat scholen het geld dat zij ontvangen voor minimaal 80 procent aan het onderwijs zelf besteden. “Hakken in managementlagen”, is het credo. De SP wil bureaucratie en regeldrift een halt toeroepen, onder ander door inzichtelijk te maken welk deel van het budget scholen daadwerkelijk in het onderwijs stoppen: “Zo nodig hanteren we een maximumpercentage voor bureaucratie.” Subsidies aan organisaties als de HBO-raad, de MBO-raad, de VO-raad en de PO-Raad wil de partij afschaffen en schoolmanagers zouden ook moeten gaan lesgeven.

Wanpresterende bestuurders mogen geen nieuwe onderwijsfuncties bekleden, aldus de SP, die onderzoek wil doen naar een nieuw bestuursmodel in het onderwijs met een experiment waarbij het budget direct naar scholen gaat. Het Democratische Politiek Keerpunt (DPK) van Hero Brinkman wil de functioneringseisen van alle managers en bestuurders vergelijken met hun daadwerkelijke effectiviteit, vooral om te besparen in bestuurslagen. De oplossingen van de 50PLUS-partij om bureaucratie tegen te gaan: minder administratie, minder managers, minder vergaderen en meer voor de klas.

Passend onderwijs
Het CDA en de CU willen zo min mogelijk (postcode)bureaucratie bij de samenwerkingsverbanden in het nieuwe stelsel voor Passend onderwijs. Volgens de PvdA moet voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte algemene toegankelijkheid worden ingevoerd, ongeacht denominatie. Verder vindt de partij dat scholen in hun beoordeling moeten worden beloond voor het opnemen van zorgleerlingen en er zeker niet voor worden bestraft met een lagere waardering. De PvdA pleit voor het behoud van goed speciaal onderwijs, evenals GroenLinks, D66, SP en de CU.
GroenLinks wil een lesaanbod voor kinderen met een voorsprong, om onderpresteren te voorkomen. Voor kinderen die uitblinken wil D66 dat scholen een extra taal of speciaal programma kunnen bieden. Aandacht voor hoogbegaafdheid en talentvolle leerlingen komt ook voor in de programma’s van de VVD (concept), Partij voor de Dieren (PvdD) en de CU. Laatstgenoemde partij waarschuwt ervoor dat ‘gewone’ leerlingen niet tussen wal en schip mogen vallen.
 
Professionalisering en ondersteuning
Het CDA wil de onderwijskwaliteit bevorderen door professionalisering van leerkrachten, directeuren en toezichthouders. “Selectie aan de poort moet alleen de allerbeste studenten toelaten tot lerarenopleidingen.” GroenLinks trekt in het Lenteakkoord 75 miljoen uit voor de professionalisering van leerkrachten en schoolleiders. D66 investeert 500 miljoen in de scholing van (startende) leerkrachten en wil bij gedwongen ontslagen kijken naar de kwaliteit van leerkrachten en niet uitsluitend naar dienstjaren en leeftijd. De PvdA wil de lerarenbeurs continueren en is voor verplichte bij- en nascholing van leerkrachten en schoolleiders via het beroepsregister. De CU wil de lerarenbeurs en het lerarenregister eveneens continueren en pleit voor een ‘talentenbudget’ om de expertise van leerkrachten te onderhouden: “Om hun bevoegdheid te kunnen behouden dienen leerkrachten zich te laten bijscholen.” De SGP wil de mogelijkheden voor het gebruik van de lerarenbeurs vergroten. Ook de VVD vindt dat leerkrachten structureel en verplicht aan bij- en nascholing horen te doen via registratie in het register: “Slecht presterende leerkrachten worden – als zij niet in staat zijn zichzelf te verbeteren – ontslagen.” De partij wil betere ondersteuning van beginnende leerkrachten en ziet op termijn graag dat leerkrachten zo hoog mogelijk zijn opgeleid. Tot slot vindt de VVD dat er eisen moeten worden gesteld aan de kwaliteit van leidinggevenden.
Het CDA, de SP en GroenLinks pleiten voor ondersteuning van de leerkracht door klassen- en onderwijsassistenten, gespecialiseerde vakdocenten en conciërges in veelal kleinere klassen, waardoor zij meer tijd overhouden voor maatwerk. De SP wil zelfs een maximale klassengrootte. D66 vindt dat de financiering van conciërges onderdeel moet zijn van de lumpsum. Volgens het DPK “moet de conciërge weer in ere worden hersteld en met aanleunwoning bij de school wonen”.
 
Prestatiebeloning
De PvdA staat achter het afblazen van de prestatiebeloning in het onderwijs, evenals de CU en de SP: “Lerarensalarissen stellen we landelijk vast.” VVD en het DPK zijn voor prestatiebeloning. D66 vindt dat een uitstekende leerkracht zelfs meer mag verdienen dan een schoolleider of onderwijsmanager. “Een leerkracht die zich bijschoolt mag dat merken in het salaris.” Ook wil de partij extra waardering in arbeidsvoorwaarden voor leerkrachten op achterstandsscholen. “Dit vraagt goed personeelsbeleid, inclusief het aanpakken van minder presterende leerkrachten.” GroenLinks pleit eveneens voor extra waardering van deze leerkrachten: “De extra beloning wordt gekoppeld aan het behalen van extra kwalificaties voor onderwijs in achterstandssituaties.” Wel is de partij tegen individueel prestatieloon: “Onderwijs is een teamprestatie.”
 
Opbrengstgericht werken en verplichte eindtoets
Het beleid om de basis in het onderwijs op orde te brengen en de lat hoger te leggen wordt als het aan het CDA ligt onverkort voortgezet: “Met veel aandacht voor taal en rekenen, opbrengstgericht werken.” De PvdA geeft de focus taal en rekenen ook prioriteit en wil “voorkomen dat ieder maatschappelijk probleem wordt doorgeschoven naar het onderwijs in de vorm van weer een lespakket”. VVD en PVV willen eveneens dat taal en rekenen meer centraal staan. De SGP is bang dat door deze eenzijdige aandacht de waarde van brede vorming uit het oog verloren wordt.
Het CDA ziet toetsen als een middel, geen doel op zich. “Scholen hebben vrijheid in de keuze voor eindtoetsen en leerlingvolgsystemen.” Dit tot ongenoegen van onderwijsminister Van Bijsterveldt (CDA), die pleit voor één verplichte, centrale eindtoets. Ook in het programma van de PvdA kiezen scholen hun eigen leerlingvolgsysteem, waaronder een eindtoets. De PvdD wil dat scholen de vrijheid krijgen om af te zien van de eindtoets. De SP is ook tegen een verplichte Cito-toets en wil meer aandacht voor burgerschapskunde of maatschappijleer, met vakleerkrachten. Geen centrale uniforme toetsing, zegt de CU eveneens. Volgens de SGP moet de overheid zeer terughoudend zijn met het voorschrijven van verplichte instrumenten en methoden. “Uniforme eindtoetsen, diagnostische toetsen en het overheidsbeleid voor opbrengstgericht werken worden geannuleerd.” Ook wil de partij het gebruik van (grafische) rekenmachines bij toetsen en examens in het basis- en voortgezet onderwijs zoveel mogelijk beperken. GroenLinks wil de vroege selectie in het Nederlandse onderwijs terugdringen door bijvoorbeeld toetsscores (zoals Cito-scores) alleen als selectiecriterium te gebruiken als deze zijn gebaseerd op voortgangstoetsen, die op verschillende momenten gedurende de basisschooltijd zijn afgenomen en worden gecombineerd met het oordeel van de leerkracht.
Alleen VVD, D66 en PVV staan achter het kabinetsvoorstel voor een verplichte eindtoets, dat daarmee van de baan lijkt.

Beoordeling, bekostiging en rol inspectie
De PvdA is voor gedifferentieerd inspectietoezicht, waarbij scholen naast (zeer) zwak ook als ‘goed’ of ‘zeer goed’ kunnen worden beoordeeld. Om een bewuste schoolkeuze mogelijk te maken moet de onderwijsinspectie de prestaties van scholen inzichtelijk
en vergelijkbaar online bekend maken, op gemeentelijk niveau, vindt D66. Om sluiting te voorkomen wil de partij dat een zwakke school onder curatele wordt gesteld. GroenLinks vindt dat waarderingssytemen gebaseerd moeten zijn op een evenwichtig pakket aan criteria en wenst geen beloningssysteem voor scholen en leerkrachten op basis van toetsscores. Ook de SGP ziet de resultaten voor rekenen en taal als kwaliteitsindicator, maar “ze kunnen geen wettelijke bekostigingsvoorwaarde zijn”. De CU vindt dat de meetbare kwaliteit wel leidend is voor de bekostiging. D66 vindt de kwaliteit en mate van achterstand maatgevend voor de verdeling van gelden. De VVD wil de financiering van basisscholen voor een deel afhankelijk maken van de kwaliteit. De SGP is voorzichtig met scholen enkel te beoordelen op hun resultaten voor rekenen en taal en wil de wettelijke bevoegdheden van de inspectie versoberen: “Onderdelen van het toezichtkader die op gespannen voet staan met de didactische vrijheid van scholen, worden geschrapt.” De SP spreekt over het hervormen van de inspectie, “zodat inspecteurs genoeg tijd krijgen om scholen te bezoeken in plaats van zich met papieren bezig te houden.”
 
Vrijheid van onderwijs
De vrijheid om scholen te stichten wil het CDA verbreden tot niet-religieuze gronden, zoals ook het recente advies van de Onderwijsraad luidt. De partij is voor keuzevrijheid van onderwijs voor ouders. Ook D66 wil de mogelijkheid een school te stichten op andere grondslagen dan de klassieke richtingen, bijvoorbeeld op een onderwijskundige visie. “Wij willen dat een tweetalige basisschool ook mogelijk is.” De CU vindt eveneens dat ouders voor hun kinderen onderwijs moeten kunnen kiezen dat bij hun levensvisie past en staat “pal voor de vrijheid van onderwijs”. Daarnaast is de partij van mening dat “daar waar geen school van de gewenste richting bereikbaar is, ouders onder voorwaarden thuisonderwijs mogen geven”. Als het aan de SP ligt krijgen alle leerlingen een acceptatierecht, mits de ouders de grondslag van de school respecteren, en hebben alle scholen een acceptatieplicht. Het DPK is voorstander van “neutraal en onpartijdig onderwijs.” Bij de inschrijving op een school voor bijzonder onderwijs, staat voor GroenLinks de keuzevrijheid van ouders en leerling voorop: “Het is voldoende als zij de grondslag van de school respecteren.” Het boerkaverbod wordt niet ingevoerd, als het aan de partij ligt. De PVV pleit ook, weliswaar selectief, voor handhaving van artikel 23: “Het bijzonder onderwijs blijft intact, maar islamitische scholen gaan dicht.” En: geen hoofddoekjes in de klas. Ook de SGP staat gezichtsbedekkende kleding niet toe, vanuit communicatief oogpunt. De partij vindt dat (bijzondere) scholen bij de aanstelling van personeelsleden en het toelaten van leerlingen een beleid moeten kunnen voeren in overeenstemming met grondslag en doel van de school.

Schaalgrootte
Het CDA is vóór kleinschalig onderwijs: “Als alle betrokkenen het erover eens zijn
kan een school de-fuseren of juist fuseren.” Ook volgens de CU moet bij fusies de menselijke maat weer maatgevend zijn en moeten de-fusies (meer) mogelijk worden. De PvdA vindt verdere schaalvergroting in het onderwijs eveneens niet gewenst, GroenLinks wil kleinschaligheid stimuleren en D66 en VVD zijn tegen (financiële) fusieprikkels. De PVV ziet ook graag kleine scholen, geen nieuwe fusies meer en waar mogelijk juist ontvlechting. Om schaalverkleining te stimuleren wil de SP dat scholen de kans krijgen uit een groot bestuur te stappen. En: “We stimuleren de bouw van kleine scholen, bijvoorbeeld door extra financiële steun.” Ook de PvdD roept ‘leerfabrieken’ een halt toe: “Het wordt eenvoudiger voor scholen om zelfstandig te opereren, buiten het grotere verband van een scholengemeenschap.”
De CU vindt verder dat de positie van kleine scholen die voldoen aan de kwaliteitsnorm moet worden versterkt. De partij is tegen ophoging van de stichtingsnorm en voor handhaving van de kleinescholentoeslag vanaf 50 leerlingen.

Meer medezeggenschap
De PvdA is, net als de PvdD van mening dat leerkrachten, leerlingen en hun ouders/verzorgers meer zeggenschap moeten krijgen over hun school: “Zo moeten zij zich kunnen losmaken van een groter schoolbestuur of kunnen samengaan met een andere school (ook van een andere denominatie). Ook moeten zij in de toekomst expliciet goedkeuring geven wanneer het schoolbestuur een fusie voorbereidt.” GroenLinks wil eveneens dat ouders, leerkrachten en leerlingen meer zeggenschap krijgen over het beleid van scholen en onderwijsinstellingen. “Inspraak en medezeggenschap worden versterkt en waar nodig worden bestuursstructuren aangepast.” Het CDA vindt dat ouders meer invloed moeten hebben op de manier waarop schooltijden en kinderopvang op elkaar aansluiten. D66 wil de ondersteuning van ouders bij de medezeggenschapsraden verbeteren en heeft een initiatiefwet ingediend die het openbaar onderwijs de mogelijkheid geeft om de verenigingsvorm aan te nemen, zodat scholen ouders meer kunnen betrekken. De SGP vindt dat scholen die door een vereniging worden bestuurd juist vrijstelling van de medezeggenschapsverplichtingen moeten krijgen. De 50PLUS-partij wil de zeggenschap over het beheer op scholen teruggeven aan ouders en leerkrachten: “Schoolbesturen worden gekozen en niet benoemd.”

Krimp
Het CDA streeft naar een provinciaal beleid om de negatieve bijverschijnselen van bevolkingskrimp in bepaalde gebieden aan te pakken: “Voorzieningen op het gebied van wonen, zorg en onderwijs moeten daarbij op elkaar worden afgestemd. Door bijvoorbeeld een school, de kinderopvang en een huisartsenpost in één gebouw onder te brengen, kunnen deze voorzieningen toch blijven bestaan.” De PvdA vindt dat alle vormen van samenwerking mogelijk moeten zijn: “Bestuurlijke en grondwettelijke blokkades om levensbeschouwelijk grenzen te overschrijden moeten worden opgeruimd. Besturen van verschillende denominaties moeten echt kunnen samenwerken en een gezamenlijke en gemengde laatste school in stand kunnen houden.” D66 wil dat scholen in krimpgebieden streven naar kwaliteit en is ertegen om kleine basisscholen koste wat kost open te houden: “Fusie tussen openbare en bijzondere scholen moet dan mogelijk zijn.” De VVD heeft ook geen problemen met samenwerking tussen scholen, “zolang dit maar de kwaliteit van onderwijs ten goede komt.” GroenLinks is eveneens voor “creatieve oplossingen die de kwaliteit op (kleine) scholen waarborgen.” De CU wil het vrijgekomen geld dat ontstaat door dalende leerlingaantallen investeren in krimpregio’s: “Met als doel het behoud van kwaliteit en onderwijspersoneel.”

Brede scholen
Het CDA wil brede dagarrangementen stimuleren met aandacht voor cultuur en sport voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar. De partij wil de schotten tussen kinderopvang (met name de buitenschoolse opvang), de peuterspeelzaal en de basisschool weghalen en de regels die gelden voor bso versimpelen, zodat die meer aansluiten bij het onderwijs: “De basisschool krijgt ruimte om zelf bso aan te bieden.” Ook de PvdA stimuleert de ontwikkeling van brede scholen, als mogelijkheid om het voorzieningenniveau te behouden of zelfs te versterken. D66 is voorstander van brede scholen, “omdat door het brede aanbod de school beter kan inspelen op de individuele behoeften van een kind, talenten stimuleren en eventuele achterstanden tijdig signaleren”. Onderwijskrachten die nu gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, moeten zoveel mogelijk worden ingeschakeld bij de naschoolse opvang en extra lessen, meent de 50PLUS-partij.
GroenLinks gaat een stap verder en wil van alle basisscholen brede scholen maken, waar kinderen van zeven tot zeven terecht kunnen. “De voor-, tussen- en naschoolse opvang wordt verzorgd door deskundige pedagogische medewerkers. De brede school werkt samen met de jeugdhulpverlening en de gezondheidsdiensten om problemen snel te kunnen signaleren en aanpakken.”
De SGP vindt dat scholen alleen verantwoordelijk zijn voor onderwijs. “Neventaken als buitenschoolse opvang worden afgestoten.” Ook wil de partij de verplichting om afzonderlijke burgerschapsvorming te geven afschaffen: “Een normale school doet vanzelfsprekend aan burgerschapsvorming.” Wel wil de SGP dat scholen hun leerlingen bewust maken van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld via een maatschappelijke stage. De CU is ook voorstander van een maatschappelijke stage, waarmee “inspiratie uit de samenleving geput wordt”.

Cultuur, sport, gym en gezondheid
De VVD wil in het regulier onderwijs weer aandacht voor cultuuroverdracht als onderdeel van de kerndoelen. De overheid moet een gedeelte van de subsidie aan culturele instellingen oormerken voor educatieve doeleinden op basisscholen, aldus de PvdA. “En alle leerlingen hebben recht op sport en gymnastiekles van vakdocenten.” GroenLinks wil ook investeren in cultuuronderwijs, maar de PVV zegt: “Kunstsubsidies, daar stoppen we mee.”
Sportverenigingen, scholen en bso moeten worden aangespoord samen te werken om kinderen meer te laten bewegen, meent de VVD: “Buurtsportcoaches verbinden school en sportvereniging.” Ook wil de VVD dat leerlingen in het basis-, beroeps- en voortgezet onderwijs liefst drie lesuren per week sporten (50PLUS-partij: minimaal zes uur per week gymnastiek en sport, eventueel gedeeltelijk na de lesuren) en dat pabo-studenten worden aangemoedigd een diploma te halen waarmee zij ook gymles kunnen geven. De SGP vindt de eisen voor het verkrijgen van een gymbevoegdheid voor (beginnende) leerkrachten een te grote belasting: “De omvang van de gymopleiding moet worden beperkt.” De PvdD en SP willen het schoolzwemmen weer invoeren.
De 50PLUS-partij wil een lesuur ‘gezond leven’ over conditie en lichamelijk welzijn (o.a. drugs, alcohol, roken, bewegen en voeding) en de PvdD wil dat onderwijs over gezonde voeding, evenals dieren-, natuur- en milieuonderwijs en lessen mediawijsheid, worden opgenomen in het standaardpakket op basis- en middelbare scholen: “Scholen worden ondersteund bij het inrichten van een schooltuin, zodat kinderen zelf voedsel kunnen telen”, aldus de dierenpartij.

Huisvesting
Als het aan de SP ligt blijven gemeenten verantwoordelijk voor de bouw en het onderhoud van schoolgebouwen: “De financiële middelen voor onderwijshuisvesting blijven lopen via de gemeenten.” D66 wil voor een goed binnenklimaat verouderde scholen renoveren of herbouwen. Gemeenten zouden volgens de partij het geld dat bestemd is voor onderhuisvesting alleen aan dit doel moeten besteden. Tegelijkertijd wil D66 dat “de kosten voor huisvesting worden beheerst en in sommige gevallen fors teruggebracht.” GroenLinks wil ook investeren in goede onderwijsgebouwen die klimaatneutraal zijn, een goed binnenklimaat waarborgen en een goede werkplek zijn voor leerlingen en leerkrachten.
 
Ouderbetrokkenheid en -bijdrage
Ouderbetrokkenheid staat bij het CDA hoog in het vaandel: “Scholen hebben de mogelijkheid in ouderovereenkomsten afspraken te maken over verwachtingen en omgangsvormen.” De CU streeft naar onderwijs waar ouders actief betrokken zijn bij de school: “Van scholen mag verwacht worden dat zij beleid ontwikkelen om ouders actief bij het onderwijs te betrekken in praktisch en beleidsmatig opzicht.”
D66 wil een maximum stellen aan de ouderbijdrage. “Scholen moeten dan wel de mogelijkheid krijgen om op andere wijze fondsen te werven.” De SP vindt dat sponsoring en reclame niet thuis horen op scholen, maar vindt ook dat ouderbijdragen aan een maximum moeten worden gebonden. En: “Iedereen hoort te weten dat betaling niet verplicht maar vrijwillig is.”
 
Onderwijsachterstanden en voorschoolse educatie
Het CDA vindt dat ouders en scholen samen moeten organiseren dat kinderen met een taalachterstand die kunnen inlopen voordat ze naar groep 1 gaan. De partij wil integratie tussen voor- en vroegschoolse educatie (vve) en de basisschool realiseren met (meer) groepen 0 voor driejarigen met een taal- en ontwikkelingsachterstand. Ook de CU investeert extra in vve, inclusief een beter opleidingsniveau van de medewerkers. “Deze vorm van educatie werkt echter niet zonder de ouders hierbij te betrekken. Daarom moet ook geïnvesteerd worden in de begeleiding van deze ouders.” De 50PLUS-partij vindt eveneens dat peuters met taalachterstand extra aandacht moeten krijgen op de voorscholen. D66 wil dat kinderen vanaf 2,5 jaar het recht krijgen om te leren, via vve of een 0-groep, met minimaal één begeleider die is opgeleid op hbo-niveau. Voor kinderen met een taalachterstand wil de partij schakelklassen, zomercursussen, buddyprojecten of taalcoaching. GroenLinks ziet graag dat alle peuters terechtkunnen op brede crèches met goed opgeleide pedagogisch medewerkers: “Er komt in het hele land een aanbod van voorschoolse programma’s voor peuters om de aansluiting met het onderwijs te verbeteren en achterstanden te voorkomen.” De PvdA vindt ook dat er geïnvesteerd moet worden in voorschoolse educatie, het verlengen van de schooldag met gerichte extra lessen of een zomerschool: “Niet zitten blijven kan opgevangen worden door bijvoorbeeld in te zetten op bijscholing (ook na school en in de vakantieperiode) op de zwakke vakken.” Als het aan de VVD ligt, gaan kinderen met een taalachterstand verplicht naar voorschools onderwijs en wordt er door consultatiebureaus getest op het taalgebruik van kinderen. “Bij taalachterstand worden bijlessen verplicht, voor rekening van de ouders.”
 
Gemengde scholen
Een basisschool moet een afspiegeling van de wijk zijn, vindt de PvdA, en dat moet door de overheid gestimuleerd en ondersteund worden. Bijvoorbeeld door ouderinitiatieven, een vast inschrijfmoment, een vaste leeftijd waarop kinderen kunnen worden ingeschreven op school, dubbele wachtlijsten en doorzettingsmacht voor onderwijswethouders om met schoolbesturen afspraken te maken om gezamenlijk te werken aan gemengde scholen. Ook GroenLinks pleit voor een vast inschrijfmoment en een plicht voor gemeenten en schoolbesturen om niet-vrijblijvende afspraken te maken over het bestrijden van segregatie: “De onderwijsinspectie zou hierop moeten toezien.” De SP wil scholen en gemeenten helpen om zo veel en zo snel mogelijk gemengde scholen te krijgen. Door betere voorlichting aan ouders, maximering van de onderwijsbijdragen, dubbele inschrijflijsten voor leerlingen met en zonder achterstand en een vast inschrijfmoment. De CU merkt op dat een centraal aanmeldsysteem de aanmelding alleen mag faciliteren en niet sturen: “Een centraal aanmeldpunt mag de vrije schoolkeuze van ouders en de vrijheid van de school wat betreft de aanname van leerlingen niet belemmeren.”
 
Ict en techniek
Om het ict-gebruik in het onderwijs te vergroten én om het leren op de werkplek te stimuleren wil de PvdA leermiddelen, in het bijzonder e-books en e-learning omgevingen, net als schoolboeken belasten met het lage btw-tarief van 6 procent. De 50PLUS-partij pleit voor een verplicht vak moderne communicatie (internet, tablet, e.d.) en wil dat het digitaal boeken lezen op scholen versneld wordt bevorderd. D66 wil het gebruik van digitale instrumenten en methoden eveneens aanmoedigen, om het onderwijs te verbeteren en de werkdruk van leerkrachten te verlichten. De VVD ziet het leren omgaan met de nieuwste ict-applicaties als onderdeel van de lerarenopleiding. PVV en GroenLinks willen meer aandacht voor techniek (en ondernemerschap, GL) in het funderend onderwijs. Opvallend is dat bijna alle partijen pleiten voor een ‘ambachtsschool nieuwe stijl’ in het beroepsonderwijs, om het tekort aan vaklieden tegen te gaan.

Mannen voor de klas
Ondanks eerdere verwoede en vaak gestrande initiatieven wil het CDA de lerarenopleidingen en vooral de pabo weer aantrekkelijk maken voor mannen. Ook de PvdA ondersteunt initiatieven om meer mannen voor de klas te krijgen. GroenLinks wil het eveneens voor mannen aantrekkelijker maken om in het basisonderwijs, de kinderopvang en op de voorschool te werken, bijvoorbeeld door specialisaties op de pabo, zoals voor praktijkonderwijs.

Junior colleges
GroenLinks wil meer kopklassen en schakelklassen, waardoor leerlingen die aan het eind van groep acht nog een taalachterstand hebben een extra jaar onderwijs kunnen volgen. Daarnaast wil de partij experimenteren met junior colleges voor kinderen van elf tot en met veertien jaar: “Een diploma van het junior college geeft toegang tot alle typen vervolgonderwijs en combineert de sterke punten van het basisonderwijs met die van het voortgezet onderwijs.” Zie ook het artikel in Kader Primair 1 (september 2012).

Doorberekening CPB
Het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) hebben de verkiezingsprogramma’s van VVD, PvdA, PVV, CDA, SP, D66, GroenLinks, Christen Unie, SGP en DPK doorberekend in het boek 'Keuzes in Kaart 2013-2017'. Daaruit blijkt dat zes van de tien partijen (GroenLinks, D66, PvdA, ChristenUnie, SGP en VVD) per saldo intensiveren op onderwijs. Drie partijen (PVV, DPK en SP) buigen om op onderwijs. Het CDA bezuinigt niet op onderwijs, maar intensiveert ook niet. GroenLinks en D66 intensiveren met respectievelijk 2,4 en 1,7 miljard euro het meest, terwijl de PVV met 1,9 miljard het meest bezuinigt. PVV en SP onderscheiden zich door een relatief grote korting op de lumpsum. Dit resulteert volgens het CBP naar alle waarschijnlijkheid in klassenvergroting, terwijl beide partijen wel voorstander zijn van schaalverkleining en zelfs kleinere klassen (SP).

Downloads en links
Gepubliceerd op: 6 september 2012
Let op!
Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.

Naar andere schooltijden, en dan? (Herziene versie september 2019)