Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Meer uitwisselen en waarderen
Basisonderwijs en voortgezet onderwijs hebben vooral veel gemeen

Meer uitwisselen en waarderen

Auteur: Astrid van de Weijenberg

Primair versus voortgezet onderwijs: in de media krijgt het volop aandacht in de salarisdiscussie. Wat vinden leraren die zowel het po als het vo goed kennen? Wat zijn de verschillen? Wat kunnen ze van elkaar leren? En hoe geef je de doorgaande lijn vorm? 

Sinds het schooljaar 2016/2017 mogen leraren uit het vo bevoegd lesgeven op de basisschool. Daarvoor is de Wet beroepen op het onderwijs aangepast. Voorheen konden vo-leraren gastlessen geven met de groepsleerkracht achterin het klaslokaal. Nu mag dat zonder toezicht, in hun eigen vakgebied welteverstaan.

De wetswijziging heeft zonder tamtam plaatsgevonden en wie er informatie over zoekt, komt niet verder dan een zinnetje in een interview op de site van het ministerie in september 2016. Directeur Sander Meijer van basisschool De Schakel in Leiderdorp zegt daarin dat hij heel graag wil.

Hoe is het afgelopen schooljaar verlopen op zijn school? De Schakel werkt samen met het Visser ‘t Hooft Lyceum. De kinderen van groep 8 gaan wekelijks anderhalf uur naar Visser ‘t Hooft om daar projectles te krijgen van twee vo-docenten, economie en aardrijkskunde. Meijer: “Daarnaast hebben wij in samenwerking met wiskundedocenten een talentenprogramma ontwikkeld. Sommige leerlingen zijn in groep 8 namelijk al helemaal klaar met rekenen. Onze ambitie is om daarin verdere stappen te zetten. Wij willen dat ze per week twee lessen wiskunde gaan volgen op het Visser ‘t Hooft. De instructielessen daar en bij ons dan twee lessen zelfwerk. Brugklasleerlingen doen dat op het leerplein.” Op De Schakel is een projectgroep bezig om het plan verder uit te werken. De vo-school is vlakbij en behoort tot hetzelfde bestuur. Dat kan met gesloten beurzen, via in het taakbeleid van de vo-school.

Samenwerking met het vo is nodig, vindt Meijer. Al zorgt het ook voor problemen als leerlingen voor de muziek uitlopen. Ze starten in de brugklas namelijk al op een hoger niveau. Meijer: “Maar we moeten naar de talenten van kinderen kijken. Wij werken hier al groepsdoorbrekend met bijvoorbeeld rekenen. Dus zijn sommigen in groep 8 klaar. Nu bieden we dan projecten aan ter verdieping, om te voorkomen dat ze zich gaan vervelen. Sommige kinderen zijn gewoon eerder toe aan het voortgezet onderwijs dan op hun twaalfde en anderen juist nog niet. Daar zouden we veel meer over moeten praten. Dat gebeurt wel, maar het blijft incidenteel, een experiment. Het is geen doorgaande leerlijn. Idealiter zou de overgang veel minder rigide moeten zijn. Net als in de kleuterperiode zie je dat niet alle kinderen op hetzelfde moment toe zijn aan een volgende stap. Daarom werkt het basisonderwijs steeds meer met individuele leerlijnen.”

Zelfstandig
Op het gebied van individuele leerlijnen is nog een wereld te winnen in het voortgezet onderwijs, denkt Meijer. Po en vo kunnen veel van elkaar leren, vindt ook Henk Boven, leraar Duits op het Bernard Nieuwentijt College in Monnickendam. Hiervoor werkte hij op een basisschool. “Het basisonderwijs spreekt leerlingen veel meer aan op hun zelfstandigheid. En dan bedoel ik niet alleen de weektaak, maar de algehele verantwoordelijkheid voor je eigen werk. In het vo is het vaak veel klassikaler. Allemaal hetzelfde. Hoewel daarin de laatste jaren wel grote stappen zijn gemaakt met het digitaliseren van lesmethodes. Leerlingen op de basisschool zijn misschien ook veel braver. Die komen met hun nagekeken werk vragen wat ze nu kunnen doen.”

Het basisonderwijs is goed in het aanleren van executieve functies, zegt Meijer. Gericht een taak starten, volgehouden aandacht, nadenken voordat je wat doet, plannen, prioriteiten stellen. Nu ook in het vo steeds meer met leerpleinen wordt gewerkt – waar leerlingen zelf aan het werk moeten – zou het goed zijn om deze kennis nog meer te delen.

Ook Corneel Bakkes is overgestapt van het basisonderwijs naar het vo. Een paar jaar heeft hij het gecombineerd, maar dat was organisatorisch lastig vol te houden. De rapportvergadering van de ene school viel samen met de oudergesprekken van de andere school. Vanaf dit schooljaar werkt hij volledig op Lyceum Schöndeln in Roermond, waar hij aardrijkskunde geeft op havo en vwo. Ook in de bovenbouw, want na zijn tweedegraads haalde hij onlangs zijn master. “In de brugklas zijn wij erg beschermend. We nemen leerlingen aan het handje. Daarmee leren we ze de zelfstandigheid die ze hebben en hun eigen verantwoordelijkheid om zelf aan de slag te gaan misschien wel af. Leerlingen kunnen veel meer dan wij denken.”

Het po kan ook leren van het vo, vindt Bakkes. “Het zou goed zijn als het basisonderwijs eens een pas op de plaats zou maken. Wat relaxter. Het is altijd hollen, altijd gaten dichten. In het vo gaat dat op een of andere manier soepeler. Niet alles is hier de verantwoordelijkheid van de docent. Leerlingen moeten zelf zaken oplossen. De vraag is: wat kan van de school gevraagd worden? Die vraag zou het basisonderwijs zich ook moeten stellen.”

Carrièrestap
Bakkes stapte na tien jaar basisonderwijs over naar het vo, omdat hij wat dieper op een vak in wilde gaan. “Zeker in de bovenbouw kun je meer inhoudelijk aan het werk. Dat is uitdagend op een andere manier. Daar was ik aan toe.” Ook schooldirecteur Meijer verloor de afgelopen jaren mensen aan het voortgezet onderwijs. “In de hoofden van mensen is het toch een carrièrestap. Je kunt vakinhoudelijk meer kwijt.”

En qua salaris is meer groei mogelijk. Bakkes: “Je stapt horizontaal over van LA naar LB in de salarisschaal, maar de perspectieven zijn beter en in het vo heb je betere regelingen, zoals een persoonlijk budget en betere regels rondom verlof. Dat maakt het interessanter.”

Is dat terecht? Bakkes vindt het een lastige discussie. “Het is appels met peren vergelijken. Het basisonderwijs is zwaar. Je bent lang bezig, de administratie is omvangrijk, de werkdruk groot. In het vo werk je meer vakinhoudelijk. Je hebt meer ruimte om je tijd zelf in te delen. Ik weet het niet. Zijn pubers moeilijker dan kleuters?”

Vo-leraar Henk Boven is uitgesprokener. Hij vindt het ‘100 procent terecht’ dat leerkrachten in het po actievoeren voor hetzelfde salaris als docenten in het vo. “Ik zie niet veel verschil in werk en bovendien is de werkdruk in het basisonderwijs veel groter. Je hebt geen tussenuren waarin je bij kunt tanken. Soms zelfs geen pauzes. Je hebt de hele dag dezelfde klas. In het voortgezet onderwijs verdwijnt een klas weer na een lesuur, dus loopt het eens niet lekker dan lost zich dat weer vanzelf op. Het basisonderwijs heeft veel meer administratie ook. Hoewel dat in het vo ook steeds erger wordt.”

Ondertussen is niet alleen het salaris een pullfactor. Ook ziet het vo graag pabo-afgestudeerden. Vooral in het praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs zijn basisschoolleerkrachten gewild, omdat de pabo beter voorbereidt op gedrags- of cognitieve problemen.

Bevoegdheid
Schoolleiders vinden het niet makkelijk om te bepalen of iemand bevoegd is. Er zijn overgangsrechten in de wetgeving voor bevoegdheden die vóór 2006 zijn behaald. En voor nieuwe vakken is er soms geen lerarenopleiding. Pabo-diploma’s na 2006 zijn alleen nog geldig in het praktijkonderwijs. Voor andere typen onderwijs moeten pabo-afgestudeerden een tweedegraads lerarenopleiding volgen. Hogescholen spelen daar op in door nascholingscursussen. Zoals de Hogeschool Utrecht, waar pabo-afgestudeerden in een half jaar tijd hun nieuwe bevoegdheid kunnen halen. Die geldt voor onderbouw vmbo basis-kader. Daarmee mag de leraar de vakken Nederlands en rekenen/wiskunde geven. Daarnaast kunnen de studenten kiezen uit drie profielen: een bevoegdheid om les te geven in de vakken van Mens & Natuur, een bevoegdheid voor de vakken van Mens & Maatschappij, of voor Engels.

Po en vo hebben vooral veel gemeen: leraren zijn er bezig met het geven van goed onderwijs. Daarom vinden zowel Bakkes als Boven vooral dat de beide onderwijssoorten op moeten houden om naar elkaar te wijzen en elkaar te verwijten dat ze het niet goed doen. Meer uitwisselen en meer waarderen, zeggen ze onafhankelijk van elkaar. _

Gepubliceerd op: 16 juni 2017

Verschenen in

Kader Primair 10 (2016-2017) (Verder in dit nummer)

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Op naar een integrale aanpak (Ontschotting in het sociale domein)