Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Meer bewegen=beter concentreren
Geen bewijs voor direct effect op leren

Meer bewegen=beter concentreren

Auteur: Marijke Nijboer

Het is eigenlijk te gek voor woorden, zegt Remo Mombarg, dat kleuters lekker door de klas lopen en kliederen in de zand- en waterhoek, maar zodra ze in groep 3 komen aan een tafeltje moeten zitten. Mombarg, lector Bewegingsonderwijs en Jeugdsport aan de Hanzehogeschool en tevens verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), pleit ervoor om voor alle leeftijden beweging door het dagprogramma op school heen te weven, dus niet alleen tijdens de gymles en/of pauze. Dat is volgens hem goed voor de gezondheid, motorische vaardigheid en taakgerichtheid. En dus ook voor het leren? Mombarg: “We moeten af van het idee dat bewegen hard meehelpt aan het vergroten van leerprestaties. Bewegen heeft geen rechtstreeks effect op rekenen, lezen en schrijven.”

Wetenschappelijk onderzoek naar het effect van bewegen op leren levert tegenstrijdige resultaten op, zegt hij. Wat wel vaststaat: effect op de motorische vaardigheid en de vaardigheid in het omgaan met andere kinderen tijdens het bewegen. “Het effect van bewegen is heel taakspecifiek. En dat is anders dan men altijd dacht.”

Bewegen doet drie dingen met de hersenen, vertelt Mombarg. Allereerst zorgen beweging en prikkelrijke oefeningen – zoals het overgooien van een bal – ervoor dat de bloedsomloop in de hersenen toeneemt, waardoor je je in ieder geval tijdelijk beter kunt concentreren (over die tijdsspanne zo dadelijk meer). Ten tweede komen er bij meer complexe bewegingen – zoals overgooien of fietsen over het schoolplein – neurotransmitters en groeihormonen vrij, die de zenuwbanen versterken en zorgen dat er meer verbindingen in de hersenen komen. Bij complexe bewegingen moeten kinderen meerdere prikkels tegelijkertijd verwerken. Dat is het derde effect: die vaardigheid komt van pas op allerlei plekken, zoals in het verkeer. “Laat ze maar een balspel doen of door elkaar fietsen op het schoolplein”, adviseert Mombarg.

Combineren
Marijke Mullender-Wijnsma, docent en onderzoeker aan de RUG, deed onderzoek naar het programma Fit & Vaardig, waarbij leerlingen al jonglerend, springend of rennend een reken- of taalles volgen. Zij ontdekte dat als kinderen hiermee drie keer per week bewegend leren, zij na twee jaar een extra leerwinst van vier maanden behalen op taal en rekenen. Dus toch een effect op leren? Mullender-Wijnsma: “Als kinderen fit zijn, kunnen ze beter presteren. Maar ook ik denk niet dat je door veel sporten beter gaat rekenen. Daarvoor moet je toch echt je rekenopdrachten doen. Als je een programma als Fit & Vaardig gebruikt, waarin bewegen wordt gecombineerd met rekenen en taal, kan dat wel invloed hebben.” Een half jaar na de lessen Fit & Vaardig was er nog steeds een positief effect meetbaar op rekenen, maar bij spelling was het effect weg. Mullender-Wijnsma: “Dat kan komen doordat de beweging gekoppeld was aan de leerstof. Bij rekenen werd bijvoorbeeld geautomatiseerd; een vaardigheid die leerlingen daarna nog vaak nodig hebben. Denk aan de tafels. Bij spelling gaat het meer om losse woordcategorieën.” Ook zij ziet eerder indirecte effecten van bewegen op leren. “Als je goed en voldoende beweegt, stimuleert dat de aanmaak van nieuwe hersencellen. Dat is goed voor je cognitie op lange termijn.”

Het Fit & Vaardig-onderzoek kreeg vanaf de start in 2011 veel media-aandacht, omdat het vrij nieuw was om in de klas te staan springen. Mullender-Wijnsma: “Je ziet nu steeds meer scholen die iets aan beweging doen. Gezonde Scholen zetten net als Fit & Vaardig-scholen bewegen ­zorgvuldiger in.”

 

Genoeg redenen dus om (ook) tussen de lessen door even lekker te bewegen. Maar hoe lang moet je dat doen om een effect te creëren? Mombarg: “Uit onderzoek blijkt dat het niet uitmaakt hoe lang je beweegt: 20, 40 of 60 minuten.” Uit onderzoek naar Smart Moves – dagelijks 10 minuten matig tot zeer intensief bewegen tussen de lessen door – bleek echter dat dagelijks 10 minuten matig tot zeer intensief bewegen geen effect had op de selectieve aandacht en andere cognitieve prestaties, en zelfs niet op de fitheid van leerlingen. Mombarg: “Ook wanneer je bewegingsoefeningen doet met een heel lage intensiteit, heeft dat geen effect. Je hartslag moet echt flink omhoog gaan. De Daily Mile (15 minuten per dag (hard)lopen op school) heeft nut; kinderen zijn lekker even buiten. Maar wil je een betere taakgerichtheid, dan zullen ze die 1.4 kilometer moeten rennen en tegelijkertijd met een bal stuiten.”

Persoonsvorming
En hoe lang beklijft het effect van bewegen? Mullender-Wijnsma: “Je ziet meteen effect op concentratie, en uit verschillende onderzoeken blijkt dat dit tot een half uur kan beklijven.”

Het effect van bewegen op de persoonsvorming is volgens Mombarg onder voorwaarden positief. “Kinderen die meer bewegen, vinden school leuker. Kinderen kúnnen door sport meer zelfvertrouwen krijgen, mits ze succes ervaren en dat aan zichzelf toeschrijven. Sport zorgt dus niet automatisch voor een positief zelfgevoel en het idee dat je wat kan. Ik pleit er daarom voor om leerlingen bij gym hun eigen uitdaging te laten bepalen. Geef ze bij de gymnastiekles en op het plein de keuze uit een wedstrijdje, samen sporten of een tijdje individueel sporten.”

 

Mullender-Wijnsma zag kleine effecten van Fit & Vaardig op de fitheid. “Ik denk dat er zeker ook invloed is op het welzijn en de motorische ontwikkeling. Wij hebben de invloed op sociaal-emotionele vaardigheden niet gemeten. Ik vermoed dat die invloed bescheiden is en afhangt van hoe je het bewegen inzet.” Ook de invloed op bijvoorbeeld kinderen met ADHD is niet gemeten. Uit een onderzoek onder 1.676 kinderen over de eerste twee jaar van De Gezonde Basisschool van de Toekomst (2015-2017) blijkt dat er op ‘voeding-beweegscholen’ naast vitaler gedrag minder conflicten zijn en dat het sociale gedrag (bijvoorbeeld respect, samenspelen) van kinderen is verbeterd. Betrokkenen denken echter dat dit komt door een betere structuur (bijvoorbeeld georganiseerde activiteiten, extra ogen) en een positievere sfeer op school.

Aanjager nodig
Mullender-Wijnsma studeerde zelf aan de pabo. “Ik vind het belangrijk dat dingen die bewezen effectief zijn, de praktijk bereiken. Er zijn goede redenen om op school meer te gaan bewegen. Het helpt als er een aanjager is. Dat kan bijvoorbeeld de schoolleider zijn. Wil je bewegen schoolbreed inzetten, dan moet er ook iemand zijn die dat coördineert.”

Bij het inbouwen van beweegmomenten in het dagprogramma helpt het als de leraar het klassenmanagement goed op orde heeft, zegt zij. “Dan kun je ook de onrust beperken. Zijn de leerlingen eenmaal gewend aan de beweegmomenten, dan verdwijnt die onrust vanzelf.” En hoe moet dat met grote groepen in niet al te ruime lokalen? “Staand achter je tafeltje kun je al heel veel doen. Wij merken wel dat in noodgebouwen de gehorige vloeren en dunne wandjes lastig kunnen zijn.”

Ouders hebben zeker ook een rol bij het stimuleren van bewegen, vinden beide onderzoekers. Ouders kunnen buiten spelen stimuleren en de beeldschermtijd beperken. Het zijn vaak kinderen van minder bemiddelde ouders die niet op sport zitten en weinig buiten komen. Mullender-Wijnsma: “En deze ouders zijn vaak moeilijker bereikbaar. Het mooie van de school is dat álle kinderen daar komen.”

Goede neurologische basis
Dat onderstreept het belang van bewegen op school. Mombarg: “Daar komt bij dat in de eerste twaalf jaar de hersenstructuur van kinderen wordt opgebouwd. Als je dankzij een voorspoedige zenuwontwikkeling een brede motorische en goede neurologische basis hebt, kun je beter switchen van de ene naar de andere cognitieve taak, sport of andere handeling. In Finland spelen ze daar op in; daar wordt na elk lesuur een kwartier bewogen. Leerlingen wisselen van staande naar zittende taken naar werken op de gang. Het zou mooi zijn als ook onze scholen meer mogelijkheden zouden bieden om te bewegen, binnen en buiten. Een crossbaantje, ballenhoek, klimblokken en statafels maken echt een verschil.”

Schoolbestuurders en schoolleiders kunnen dat faciliteren. Mombarg: “Dat gebeurt ook al, bijvoorbeeld bij Gezonde Scholen met het thema Bewegen en sport. Maar leraren hebben nog geleerd dat leerlingen op stoelen moeten zitten. Je zou kunnen beginnen met de reken- en taalhoeken een stuk uit elkaar te zetten, zodat leerlingen moeten lopen om hun boekjes op te halen. Leraren moeten het normaal gaan vinden dat kinderen door de klas lopen. Schoolleiders kunnen leraren duidelijk maken waarom bewegen belangrijk is en hier samen met hen een strategie voor ontwikkelen.”

Mombarg ziet ook mogelijkheden in samenwerking met de naschoolse opvang. “Je zou hun aanbod veel meer kunnen integreren in het schoolprogramma.” Mullender-Wijnsma: “Bewegen is niet alleen aangetoond effectief, maar zo’n onderbreking van je programma is ook gewoon heel leuk en goed voor de kinderen.” 

Meer bewegen niet verplicht, wel specifiekere kerndoelen
Bijna de helft van de kinderen beweegt te weinig, rapporteerden de Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving in hun advies ‘Plezier in bewegen’ (september 2018). Dat kan leiden tot kansenongelijkheid. Sport en beweging moeten volgens hen een integraal onderdeel zijn van het onderwijs. Landelijk beleid en wetgeving geven onvoldoende richting aan sporten en bewegen op school. Leerlingen in po, vo en mbo zouden twee keer per dag een half uur matig intensief moeten bewegen. De raden pleiten voor beweegteams met vakleerkrachten, buurtsportcoaches en gekwalificeerde trainers. Scholen kunnen meer samenwerken met sportverenigingen. Gemeenten zouden hierin meer regie kunnen nemen.

Minister Slob van OCW vindt het aanzetten tot meer bewegen echter ook een taak van ouders, wijk- en sportvereniging. Hij wil scholen niet verplichten tot het organiseren hiervan. Wel vindt de minister dat bewegingsonderwijs moet worden gegeven door bevoegde leerkrachten. Dat kan een ALO-geschoolde vakleerkracht zijn, een groepsleerkracht met een brede bevoegdheid voor bewegingsonderwijs of een groepsleerkracht die voor 2005 is afgestudeerd en automatisch bevoegd is. Slob wijst op de middelen hiervoor in de lumpsum en de extra gelden uit het werkdrukakkoord. Ook is er een subsidieregeling voor groepsleerkrachten om de post-initiële leergang bewegingsonderwijs te volgen en hiermee hun bevoegdheid te halen. Verder onderschrijft hij de aanbeveling uit het advies ‘Plezier in bewegen’ om samenwerking op lokaal niveau tussen gemeenten, scholen en sportvereniging te versterken. De minister vindt dat er meer duidelijkheid moet komen over wat er van scholen kan worden verwacht. Dit laatste wordt meegenomen in de huidige herziening van het curriculum. Binnen Curriculum.nu wordt gewerkt aan specifiekere kerndoelen voor bewegingsonderwijs.

 

Downloads en links
Gepubliceerd op: 11 mei 2019

Verschenen in

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Integrale Kindcentra, handboek voor directeuren en bestuurders