Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » ‘Maak schoolleider en team aanspreekpunt van de inspectie’

‘Maak schoolleider en team aanspreekpunt van de inspectie’

Betrek schoolleiders veel meer bij overleg rond het inspectiebezoek. Dat vindt tweederde van de AVS-leden, blijkt uit onderzoek naar het functioneren van de inspectie. Steeds vaker spreekt de inspectie het schoolbestuur aan als eerstverantwoordelijke. Maar 38 procent van de respondenten vindt dat de schoolleiding het eerste aanspreekpunt moet zijn van de inspectie. Bijna de helft pleit voor een bespreking met het team en de inspecteur.

Tekst Tineke Snel

“Het is maar afwachten of de school het inspectierapport onder ogen krijgt, dat moet anders”, zegt AVS-voorzitter Ton Duif. “Het bevoegd gezag is formeel verantwoordelijk, maar maak de schoolleider en het team aanspreekpunt van de inspectie. En stuur het inspectierapport standaard zowel naar de school als naar het bestuur.”
De AVS heeft, in samenwerking met onderzoeksbureau Reflexy een enquête gehouden onder haar leden over het functioneren van de inspectie. Aanleiding was de toenemende stroom aan klachten over de inspectie. Zo’n 1.300 leidinggevenden in het primair onderwijs hebben de vragenlijst ingevuld, een representatieve respons.
Bijna een kwart van de leden geeft aan dat de inspectie bij een controle vooruitgelopen heeft op wet- en regelgeving, in het bijzonder wat betreft het ontwikkelingsperspectief (OPP) en Passend onderwijs. Met betrekking tot het OPP wordt in de meeste gevallen genoemd dat dit in de beoordeling is meegenomen en volgens sommige schoolleiders zelfs tot een onvoldoende oordeel heeft geleid. Opmerkelijk, want in het aangepaste toezichtkader van de inspectie van mei 2011 staat: “De aanpassing van het toezichtkader loopt uitdrukkelijk niet vooruit op wet- en regelgeving die nog in voorbereiding is, zoals de wetgeving Passend onderwijs en de voorgenomen wijziging van de Wet op het Onderwijstoezicht.” Duif: “Richten op het ontwikkelingsperspectief is wel degelijk vooruitlopen op regelgeving. Dat is geen goede zaak.”
Meer dan de helft van de leden vindt dat het bestuur meer regie mag nemen richting de inspectie in plaats van te volgen en bijna de helft vindt dat er een betere afstemming nodig is in kwaliteitszorg tussen bestuurlijk en schoolniveau. Vergeleken met het basisonderwijs zijn met name leden werkzaam in cluster 2 van het speciaal onderwijs relatief vaker negatief over de invulling die wordt gegeven aan het aanspreken van het bestuur als eerstverantwoordelijke.
Ruim een derde van de schoolleiders geeft aan dat hoor en wederhoor niet geleid hebben tot aanpassing van het inspectierapport. De AVS vindt dat een behoorlijk hoog aantal: ruim een derde van de schoolleiders verschilt op onderdelen van mening met de inspecteur over het rapport.

Vooringenomenheid
De schoolleiders vinden de inspecteur in het algemeen deskundig, transparant en op een goede manier communiceren. Maar de ene inspecteur is de andere niet, zo blijkt uit het onderzoek. Ten aanzien van de professionaliteit van de inspecteur geeft 60 procent van de leden – die met meerdere inspecteurs te maken hebben gehad – aan verschillen in professionaliteit te hebben ervaren tussen deze inspecteurs. Het betreft hier met name schoolleiders van (zeer) zwakke scholen. Die verschillen in inspecteurs zitten vooral in visie en voorkeuren, kennis en ervaring met het onderwijs, werkwijze en houding. De AVS vindt het een hoog percentage, dat verschillen in professionaliteit van de inspecteurs ervaart. Een ander kritisch punt is de onafhankelijkheid van de inspecteurs. Bijna een derde van de schoolleiders vindt dat de inspecteur zich in de oordeelsvorming heeft laten leiden door zijn of haar eigen mening of die van een ander. Vooringenomenheid van de inspectie is een van de klachten die de AVS vaak hoort. “Ik vind het verwerpelijk, de inspecteur hoort objectief te zijn”, aldus AVS-voorzitter Duif.
Veel schoolleiders zijn ontevreden over de mate waarin rekening wordt gehouden met de vrijheid van onderwijs. Dit geldt met name voor de leden uit het algemeen bijzonder onderwijs. Driekwart van de leden geeft aan vooral behoefte te hebben aan meer oog voor de schoolspecifieke situatie. De inspectie moet meer kijken naar de sociaalpedagogische context van de school, vindt ook de AVS, want onderwijs is meer dan het aanleren van cognitieve vaardigheden: het onderwijs heeft ook een maatschappelijke rol.
De opbrengsten van het inspectiebezoek en het oordeel leiden bij de meeste schoolorganisaties tot concrete interventies. Veel minder vaak leidt het tot een herbezinning op het schoolbeleid. Bijna de helft van de leden laat zich, ongeacht de eigen speerpunten, in het strategisch beleid niet leiden door het oordeel van de inspectie. Duif: “De inspectie bepaalt ook niet het beleid. De inspectie controleert of het naleven van regels gebeurt.”
De schoolleiders vinden het belangrijk dat de inspectie de kwaliteit van het onderwijs beoordeelt en een controlerende taak heeft en zijn hier ook positief over. Werken vanuit verdiend vertrouwen – hoe beter de kwaliteit, hoe minder intensief het toezicht – en aansluiten bij de instrumenten van de school vinden leden belangrijke uitgangspunten van het toezicht. Minder waarde hechten ze aan het preventief toezicht en het met voorrang onderzoeken van nalevingvoorschriften.

Kritische vriend
De schoolleiders zien graag een stimulerende inspectie in de rol van kritische vriend en sparringpartner. Ze willen een onafhankelijke inspecteur, die (positief-)kritisch is, zich kan inleven in de specifieke situatie en ervaring heeft in het onderwijs. Als verbeterpunten voor de taken van de inspectie geeft ruim tweederde van de leden dan ook aan behoefte te hebben aan de rol van kritische vriend, 60 procent zou willen dat de inspecteur meer de rol van adviseur op zich neemt en 58 procent heeft behoefte aan de rol van samenwerkingspartner. De AVS vindt dit enigszins verrassend, want de taak van de inspectie is toch vooral controleren of regels worden nageleefd. Duif: “Ik vind wel dat de inspectie aan benchmarking kan doen. Meer tips aan scholen geven om te gaan kijken op andere scholen met goede praktijkvoorbeelden.”
Tien procent van de leden heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid kritische opmerkingen te plaatsen aan het eind van de enquête. Deze hebben onder andere betrekking op de werkwijze en positie van de inspectie: de nadruk ligt teveel op papier, er is te weinig maatwerk in de beoordeling en niet de inspectie, maar de beroepsgroep zou de kwaliteit moeten bewaken. Ten aanzien van de professionaliteit van de inspectie merken de schoolleiders op: te weinig persoonlijke benadering, te weinig meedenkend en behoefte aan betere communicatie. Wat betreft de focus van het toezicht is er duidelijk behoefte aan een bredere kijk dan de leerresultaten. Sommige leden willen meer duidelijkheid over de normverhoging of vinden dat het toezicht teveel gericht is op cijfers. Ook wordt aangegeven dat de normverhoging problemen oplevert voor kleine scholen. Het toezicht heeft volgens enkele leden geleid tot een afrekencultuur, een cultuur gericht op wantrouwen en op het negatieve. Een vijfde deel van de opmerkingen is positief en gaat over de prettige contacten, werken vanuit vertrouwen en het dienstbaar zijn van de inspectie aan het onderwijs. Ondanks alle kritische noten die de schoolleiders kraken en de verbeterpunten die ze aangeven, geven ze de inspectie gemiddeld een 7+. Bovenschoolse leidinggevenden geven een hoger cijfer dan leidinggevenden op schoolniveau. Ook zijn er regionale verschillen in de beoordeling te zien. Leden in de regio Midden en Noordwest geven een lager cijfer voor het inspectiebezoek dan leden in de regio Oost.

-----------------

Reactie inspectie op enquête AVS
Hoofdinspecteur primair onderwijs Leon Henkens zegt in een reactie op de enquête van de AVS over het vermeende vooruitlopen door inspecteurs op de wet- en regelgeving (onder andere ontwikkelingsperspectief in combinatie met Passend onderwijs): “Omdat de inspectie de kwaliteit van het onderwijs in de basisscholen voor leerlingen die op een eigen leerlijn zijn gezet wil bewaken en waarborgen, is in 2009 het ontwikkelingsperspectief (OPP) in het toezichtkader opgenomen, als middel om de opbrengsten van deze leerlingen te verantwoorden. Dit moet worden gezien in het licht van stimulerend toezicht. Het OPP is nu ook opgenomen in het conceptwetsvoorstel Passend onderwijs, ter vervanging van het handelingsplan. Als het OPP straks een wettelijke verplichting is voor het speciaal onderwijs, zal de inspectie controleren of scholen aan dit voorschrift voldoen en zo nodig handhaven. Daar lopen we in onze benadering niet op vooruit, maar we vinden het wel verstandig om scholen hierop te attenderen.”
Henkens vertelt dat de inspectie weliswaar rapporteert aan het schoolbestuur, maar daarbij expliciet aan het bestuur vraagt de schoolleiding direct na ontvangst op de hoogte te stellen van het rapport. “De inspectie treedt met het bestuur in overleg over de uitkomsten van de kwaliteitsonderzoeken. Het bestuur kan daarbij de directie van de school uitnodigen. Uit eigen enquêtes van de inspectie blijkt dat 10 tot 15 procent van de besturen het rapport van de inspectie niet bespreekt met de schoolleiding. Dat is jammer en onverstandig. Schoolleiders doen er dan ook verstandig aan om zelf initiatieven te nemen richting hun bestuur.”
Over de klacht dat hoor en wederhoor niet altijd leiden tot aanpassing van het inspectierapport zegt Henkens: “Lang niet altijd zijn de wederhoorargumenten steekhoudend. In dat geval worden ze niet overgenomen. Als we niet overnemen, beargumenteren we dat schriftelijk. Besturen die het niet eens zijn met de reactie van de inspectie hebben de mogelijkheid hun visie aan het rapport toe te voegen. Maar dat gebeurt zelden.” De hoofdinspecteur vindt het verder logisch dat inspecteurs naast de cijfers ook op zijn eigen oordeelsvorming afgaan. De inspectie hecht veel belang aan de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: aan gelijke beoordeling in gelijke situaties.
Over de gewenste adviesfunctie van inspectie zegt Henkens: “Voor het gebruik maken van intercollegiale toetsing en best practices is primair een rol weggelegd voor het bestuur en de onderwijsorganisaties. De inspectie publiceert soms brochures met goede voorbeelden. Daarnaast vind ik dat inspecteurs niet moeten schromen om scholen te wijzen op goede situaties in andere scholen.”
Tot slot zegt Henkens over de uitkomsten van de AVS-enquête: “De inspectie wil bevindingen en reacties van scholen graag benutten. Het onderzoek geeft aan dat er punten zijn waarop het nog beter kan. Dit betreft in elk geval de communicatie, van de inspecteur voor en na zijn onderzoek, maar ook van de inspectie in het algemeen. Dit was, is en blijft dan ook een van onze speerpunten voor de komende jaren.”

Downloads en links
Gepubliceerd op: 3 december 2011

Verschenen in

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Naar andere schooltijden, en dan? (Herziene versie september 2018)