Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Kansarm/kansrijk: hoe dichten we de kloof ?
‘Een deel van de oplossing zit in het onderwijs’

Kansarm/kansrijk: hoe dichten we de kloof ?

Auteur: Marijke Nijboer

Brede schooladviezen en dito brugklassen, langere brugperiodes, tienerscholen, Passend onderwijs… Op talloze manieren werken scholen aan gelijke kansen voor kinderen. De tweedeling neemt echter nog steeds toe. Geen wonder: ongelijkheid zit ingebakken in de maatschappij. Vragen we niet te veel van scholen?
 
Opnieuw luidt de Inspectie van het Onderwijs de noodbel in de Staat van het Onderwijs. De oplopende segregatie van scholen bedreigt de kwaliteit van het onderwijs, juist op scholen met veel kinderen van laagopgeleide ouders. De inspectie ziet het onderwijsveld uiteenvallen. “Enerzijds komen er meer scholen met een heel specifiek aanbod, zoals technasia of scholen met tweetalig onderwijs. Daar sturen academisch geschoolde ouders kun kinderen naar toe”, zegt Inge de Wolf, projectleider en hoofdauteur van de Staat van het Onderwijs, en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht. Het is prima dat ouders wat te kiezen hebben, zegt zij. “Maar we moeten ons wel bewust zijn van de keerzijde. Zo kunnen problemen zich concentreren op bepaalde scholen. Op sterk gesegregeerde scholen met een uitdagende leerlingpopulatie zie je een groeiend lerarentekort. Wij vrezen dat de kwaliteitsverschillen tussen scholen verder gaan toenemen.”
Dat zegt ook onderwijssocioloog Paul Jungbluth. “Kansrijke ouders zoeken kansrijke scholen. Dreigt het toch mis te gaan, dan kopen ze bijles in. Ook wanneer hun kinderen vastlopen zonder dat de leraar dat heeft gemerkt. Mensen die bijlessen geven verbazen zich over het lage onderwijsniveau. De kansarme groepen moeten het daar echter mee doen. Zo groeit het verschil tussen de onder- en bovenkant verder. Er is te veel zwak onderwijs voor kansarmen.”
Jungbluth bestudeerde de afgelopen tien jaar het onderwijs in Zuid-Limburg. “De kansenongelijkheid is daar net zo groot als in Rotterdam, al wonen er weinig allochtonen. De oude industrie en mijnbouw trokken ooit grote groepen laaggeschoolde arbeiders, over wier nageslacht het ministerie en de onderwijsinspectie zich nu zorgen maken.” De inzichten uit zijn onderzoek zijn volgens Jungbluth in grote lijnen ook van toepassing voor de rest van het land.
 
Toegevoegde waarde
Met de factoren IQ en opleidingsniveau van de ouders kun je de score op de eindtoets aardig voorspellen, zegt Jungbluth. “Je vergelijkt de individuele scores met wat je zou verwachten op grond van die twee factoren. Het verschil tussen de verwachte uitkomst en de werkelijke scores zegt iets over de toegevoegde waarde van de school.” Hij ziet een groot verschil tussen scholen: “De zwakste 20 procent scholen scoort gemiddeld zes citopunten lager dan de hoogste 20 procent. Dat komt neer op een verschil van twee à drie schooltypen.”
Volgens de inspectie is een belangrijke reden voor het afglijden van de leerresultaten een gebrek aan ambitie bij scholen. Jungbluth komt in Limburg tot dezelfde conclusie. “Met deze cijfers houden wij de scholen jaar na jaar een spiegel voor. Je verwacht dat ze dan in actie komen, maar dat gebeurt niet.” Hij begrijpt wel hoe dat komt. “De laatste schoolbegeleidingsdienst in de regio is opgeheven. En de onderwijsachterstandsgelden vormen hier geen zinvolle bedragen meer. Veel ouders hebben een mbo-opleiding, maar zijn werkloos. Er is armoede. In Rotterdam ook, maar daar heeft de gemeente geld beschikbaar. En het rijk vult dat aan. Kansarme kinderen in de Randstad krijgen dankzij een cumulatie van regelingen zes tot acht keer zoveel budget als kinderen buiten de grote steden.”
De inspectie roept, om de achteruitgang te keren, de politiek op duidelijker te formuleren wat ze van het onderwijs verwacht. De Wolf: “Er is weinig consensus over wat belangrijk is in het onderwijs. Daardoor worden leraren en schoolleiders overladen met allerlei opdrachten. Wij pleiten ervoor om veel gerichter te sturen. Laten we beslissen wat we echt belangrijk vinden; drie à vier dingen, waarbij je zeker aan gelijke kansen kunt denken. Scholen kunnen dan zelf beslissen wat ze eventueel nog extra doen.”
 
Maatschappelijk probleem maar…
De tweedeling tussen kansarm en kansrijk manifesteert zich overal: in het gezinsleven, leefstijlen, buurten, de gezondheidszorg, het verenigingsleven... Hoe reëel is het om van scholen een oplossing te verwachten? De Wolf: “De tweedeling is inderdaad een maatschappelijk probleem, maar gaat ook in het onderwijs steeds sterker spelen. Het onderwijs is één van de partijen waar oplossingsrichtingen zitten. Het niveau van je diploma bepaalt nu meer dan ooit je kans op een goede loopbaan, geluk, gezondheid. En het stapelen van opleidingen was de laatste jaren moeilijker geworden. We delen kinderen al jong in niveaus in, terwijl het schooladvies veel bepalender is geworden. Dat snappen hoogopgeleide ouders, die alles doen om het advies naar boven te laten bijstellen. Zo verscherpt de tweedeling.”
Leerkrachten geven kinderen van hoogopgeleide ouders vaker hogere schooladviezen. Bewustwording over de eigen vooroordelen kan hier verschil maken, zegt De Wolf. “We zijn allemaal mensen, maar heb het hier over op school en ga na of dat bij jullie ook het geval is. Leg als extra check het leerlingvolgsysteem of de eindtoets naast het advies. En kijk waar je leerlingen na twee of drie jaar in het voortgezet onderwijs zitten: misschien valt daar van te leren.”
Volgens de Staat van het Onderwijs kijkt 95 procent van de scholen bij het schooladvies ook naar gedragskenmerken, en 43 procent naar de thuissituatie. Dat begrijpt De Wolf. “Maar realiseer je wel dat een specifieke groep een onrustige thuissituatie heeft en problematisch gedrag vertoont. Zet die groep niet per definitie op achterstand. Een leerkracht in Amsterdam Zuidoost vertelde mij: ‘Ik geef een leerling met een ongunstige thuissituatie altijd een één niveau lager advies dan ik anders zou doen.’ Dat was goed bedoeld, zij wilde zo’n kind een succeservaring meegeven. Maar je beïnvloedt de schoolloopbaan van dat kind heel sterk, omdat stapelen lastig is. Koester hoge verwachtingen: dát werkt.”
 
Brede brugklas
Het onderwijs ontplooit allerlei initiatieven om de kloof te dichten, zoals brede schooladviezen en dito brugklassen, en een langere brugperiode. Jungbluth is sceptisch: “Vwo’ers gaan niet naar die brede brugklassen; die gaan naar categorale scholen. Op die brede scholen zitten ook de 30 procent zwakste eindtoetsscoorders. Die worden daar tijdens de brugperiode geconfronteerd met iets waarvan ze al overtuigd waren dat ze het niet konden. Zie dat dan nog maar te repareren.” Maar De Wolf is positief: “Dit zijn uitstekende initiatieven. Ik denk dat het nog te vroeg is om daarvan het effect te zien. Kansenongelijkheid werk je niet in een paar jaar weg.”
De beste weg naar betere onderwijskansen volgens Jungbluth? “Zeer goed opgeleide en gemotiveerde leraren geven beter onderwijs. We moeten naar betere opleidingen.” Hij is blij met de academische pabo’s. “Al hoor ik dat de besten onder de afgestudeerden liever doorstuderen.” De Wolf zegt dat de overheid kan helpen om scholen met veel kansarme leerlingen aantrekkelijk te maken. “Zorg voor de beste leraren, het mooiste gebouw en hoge onderwijskwaliteit.”
Maar dat kost geld. En de onderwijsachterstandsgelden zijn flink teruggeschroefd, van 431 miljoen in 2010/2011 naar 267 miljoen euro nu. Moet de overheid niet de hand in eigen boezem steken? De Wolf: “Werken aan gelijke kansen is in ieder geval lastig wanneer je minder middelen tot je beschikking hebt.” Jungbluth: ”We hebben door de jaren heen bezuiniging op bezuiniging gestapeld. We hebben de allochtone leerling geherdefinieerd als degene die in het buitenland geboren is. Terwijl de meesten thuis alleen hun eigen taal spreken en naar tv-programma’s uit hun moederland kijken. Het hele achterstandenbeleid stelt bijna niks meer voor.”

Gelijke Kansen Alliantie:
‘Het vraagt ook om inzet van allerlei andere partijen naast het onderwijs’

Op initiatief van het ministerie van OCW werd in 2016 de Gelijke Kansen Alliantie opgericht. Een sympathiek initiatief, maar zet het ook zoden aan de dijk? Programmaleider Monaïm Benrida: “We zien positieve ontwikkelingen.”
 
“Ons vertrekpunt is de pedagogische driehoek: thuis, omgeving en school”, vertelt Benrida. “Om kinderen maximaal hun talenten te laten ontplooien, moeten ze dat wat ze op school leren, ook buiten de school kunnen oefenen en zich eigen maken.”
De alliantie opereert daarom lokaal, met maatschappelijke partners. “We willen de leraar faciliteren. Met behulp van instrumenten en netwerken vanuit de alliantie kan hij beter bepalen wat een leerling nodig heeft. Kan een kind bijvoorbeeld thuis geen ondersteuning verwachten, dan is een coachingstraject wellicht een oplossing. Voor kinderen die vanwege geldgebrek niet kunnen meedoen aan sport of muziek, kun je een potje aanspreken.”
Medewerkers van de alliantie gaan in gesprek met het scholenveld in zestig grote gemeenten en een paar landelijke gebieden over gelijke kansen. Benrida: “We kijken of een van onze bewezen effectieve interventies aansluit bij wat zij nodig hebben.” Zo wordt op het IJsselcollege in Capelle aan den IJssel het Goal Setting Programma uitgerold. Leerlingen omschrijven hun ideale toekomst én de toekomst die ze willen vermijden. Ze werken hun plannen uit in specifieke doelen, inclusief obstakels en mogelijke oplossingen. Daarna gaan ze met één doel op de foto. Die foto’s worden in de school opgehangen. Elke jongere krijgt steun van een coach uit het bedrijfsleven bij het toewerken naar zijn doelen.
Benrida: “Wij richten ons in eerste instantie op de believers, de voorlopers: partijen die hier graag mee aan de slag willen. We zien veel enthousiasme en uitstekende schoolleiders en leraren. Uiteindelijk willen we iedereen bereiken. Het tackelen van kansenongelijkheid zal echter veel tijd kosten en vraagt ook om inzet van allerlei andere partijen naast het onderwijs. Gelukkig zien we al positieve ontwikkelingen; de eerste, voorzichtige effecten van onze interventies.”
 

Niet elk dubbeltje kan een kwartje worden
Leraren moeten tegen de klippen op zorgen dat iedereen alsnog gelijk wordt – ook al is dat niet realistisch. Want: “Intelligentie is in hoge mate erfelijk”. Dat zegt filosoof Kees Vuyk in zijn boek Oude en nieuwe ongelijkheid. Over het failliet van het verheffingsideaal (2017). Hij constateert dat inmiddels bijna alle bovengemiddeld slimme Nederlanders de opleiding kunnen volgen die zij aankunnen – bij allochtonen is dat overigens nog niet zo. Vuyk ziet een nieuwe tweedeling: tussen hoog- en laagopgeleiden. Die leidt tot een nieuwe ongelijkheid in de vorm van verschillende, van elkaar gescheiden gemeenschappen op basis van intelligentie.

Downloads en links
Gepubliceerd op: 19 mei 2018

Verschenen in

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

De jaartaak in het primair onderwijs (Nieuwe versie juni 2019)