Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » ‘Investeren in het normale leven’
Buitenschools leren helpt kinderen vooruit

‘Investeren in het normale leven’

Auteur: Susan de Boer

Een zinvolle besteding van de vrije tijd en het ontwikkelen van niet-schoolse competenties is goed voor kinderen en voor de maatschappij, betogen onderwijs- en ontwikkelingsprofessionals. Kinderen maken kennis met verschillende facetten van het leven, doen diverse vaardigheden op en zijn bovendien van de straat. Ook kunnen professionals mogelijke problemen vroegtijdig signaleren en verhelpen. Maar tussen onderwijs, welzijn en zorg zitten nog genoeg schotten en er is meer onderzoek nodig naar de werkelijke effecten van niet-formeel leren.

“In Nederland is jeugdbeleid ongeveer synoniem met jeugdzorg”, zegt René Clarijs, hoofdredacteur van het tijdschrift Jeugdbeleid, zelfstandig onderzoeker en hoogleraar Jeugdbeleid en Jeugdzorg. “Het is een merkwaardig stelstel. Jeugdzorg groeit al zeventig jaar. Vorig jaar was er een tekort van 605 miljoen euro. In veel Europese landen is jeugdzorg onderdeel van de gezondheidszorg. Jeugdbeleid betekent daar: investeren in de vrijetijdsbesteding van kinderen.”

Stuiterende jochies

In de uitgave Op naar een integrale aanpak, dat de AVS voorjaar 2018 gepubliceerde, houdt Clarijs een pleidooi voor een bestuurlijke transformatie waarbij de focus van het jeugdbeleid komt te liggen op de ontwikkeling van competenties en talenten van kinderen. “In Nederland investeert men niet in de ‘voorkant’ van het jeugdstelsel. Het gevolg is dat problemen pas laat aan het licht komen. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die niet alleen lastig zijn op school, maar ook bij de voetbalclub worden weggestuurd. De trainers bij sportclubs zijn meestal vrijwilligers, die weten niet hoe ze moeten omgaan met stuiterende jochies. Dat betekent dat deze kinderen op straat gaan hangen en mogelijk in de Jeugdzorg terechtkomen.” Een oplossing zou zijn om jeugdprofessionals regelmatig langs de sportclubs te laten gaan om tips te geven aan trainers en om kinderen die in het nauw zitten te helpen. “Een kind uit een kwetsbaar gezin, dat zich zorgen maakt of zijn moeder thuis is als hij van voetballen komt, kan echt niet bij het bestuur van de club terecht. Die jeugdprofessional kan dan helpen, die kent de weg. Dat dit niet gebeurt, komt omdat de politiek geen publiek geld wil uittrekken voor kinderen met wie nog niks aan de hand is. Het gezin is heilig. En dat is prima zolang het goed gaat, maar een alleenstaande moeder met zeven kinderen op twaalf hoog krijgt het niet altijd voor elkaar.” Ook voor de ontwikkeling van niet-schoolse competenties, zoals leren samenwerken, initiatief en empathie tonen, is investeren in de vrije tijd van kinderen nuttig. “Kinderen hebben vijfduizend uur per jaar vrije tijd en dat laten we nu zomaar liggen als ontwikkeltijd. Die tijd kunnen ze op allerlei manieren invullen. Met sport en muziekles en dergelijke, maar ook, bijvoorbeeld, door mee te doen aan een buurtproject tegen zwerfafval. Daar zou best een maatschappelijke waardering tegenover mogen staan. Zeker voor kinderen die minder goed presteren in cognitieve vakken schept dit kansen. Een scholier zonder glanzende schoolloopbaan kan dan aan een potentiële werkgever laten zien wat hij of zij in zijn of haar mars heeft.”

Kom op de soep

Brede School Markeent ontplooit het soort activiteiten waarvoor Clarijs pleit. De school staat sinds 2012 in de Weertse wijk Keent. Een kleurrijke wijk, waar percentueel veel bewoners financiële en andere zorgen hebben. “In de naschoolse opvang bieden we activiteiten aan vanuit zoveel mogelijk verschillende disciplines”, vertelt directeur Yvonne Vaes. “Zoals kunst & cultuur, natuur, techniek, sport. Daarnaast is er huiswerkbegeleiding en we organiseren excursies naar musea. Ouders en andere buurtbewoners bieden activiteiten aan, zoals Marokkaanse kookles en mozaïeken maken.” Op het welbevinden van de leerlingen en op de ouderbetrokkenheid hebben deze activiteiten een positieve invloed, is de ervaring van Vaes. “Er ontstaat verbondenheid met de omgeving. We hebben bijvoorbeeld een STAR-team. STAR betekent Sportief, Teamwork, Acceptatie, Respect. Daaraan zijn zo’n twintig jongeren verbonden, leerlingen en oud-leerlingen, die samen met een leerkracht allerlei zaken oppakken. In de Week tegen Eenzaamheid helpen ze bijvoorbeeld bij het evenement ‘Kom op de Soep’ en ze reiken een STAR-taart uit aan een wijkbewoner die zich bijzonder inspant voor de STAR-principes. Het belang ervan is dat ze bij een groep horen, samen positieve dingen doen.” Voor het uithalen van rottigheid is daardoor minder ruimte, denkt Vaes. “Bovendien kunnen we aan de voorkant veel doen. Als we van een sportclub of een naschools arrangement teruggekoppeld krijgen dat een leerling van ons zich misdraagt, pakken we dat op.” Daarnaast krijgen kinderen de kans talenten te ontplooien die in de reguliere schoolsetting minder aan bod kunnen komen. “Natuurlijk wil je als school dat alle leerlingen goed presteren in de schoolse vakken, maar dat is niet voor iedereen haalbaar. In de buitenschoolse activiteiten kunnen ze uitgebreider uitvinden wat ze leuk vinden om te doen en waar ze voldoening uit halen. Later zal ze dat hopelijk ook helpen een goede balans in hun leven te vinden.” Het is echter niet zo dat Jeugdzorg significant minder te doen heeft in de wijk Keent. “Sommige gezinnen hebben echt begeleiding nodig, op financieel gebied of bij de opvoeding. Maar de drempel is laag en er is geen gêne om van die hulp gebruik te maken.” Een aandachtspunt bij de vergaande verbinding tussen school en de andere activiteiten vindt Vaes de tijd en het geld die deze activiteiten kosten. “De leerkracht die het STAR-team leidt, bekostigen we voor een deel uit onze formatie. Voor het aanboren van diverse subsidies en administratieve ondersteuning bij al die projecten zetten we een medewerker in voor 6/10 fte.”

Korte lijntjes

Een betere integratie van onderwijs en andere jeugdvoorzieningen en een samenbundeling van ‘potjes’, dat is waar Valentine de Ruyter hartstochtelijk voorstander van is. Tot deze zomer was zij directeur van Integraal Kindcentrum De Horst in De Wijk in Drenthe. In De integrale aanpak beschrijft zij hoe zij onderwijs, zorg en welzijn hier samenbracht. “Je moet buiten de lijntjes durven kleuren. Voor de peuterspeelzaal en de kleutergroepen geldt verschillende wetgeving, terwijl je wilt samenwerken aan één pedagogisch doorgaande lijn. Bij De Horst kwam bijvoorbeeld een externe instantie observeren in de kinderopvang om de pedagogisch medewerkers te ondersteunen bij kinderen met opvallend gedrag. Dat gebeurde vanuit de gemeente. Wij hebben het voor elkaar gekregen dat onze intern begeleider extra uren kreeg, vanuit het zorgbudget, om die observaties te doen. Dan zijn de lijntjes veel korter. Een ander voorbeeld is dat de gymleraar van de school ook het naschoolse aanbod verzorgt. Zo heb je kinderen beter in beeld.” De Ruyter zou het liefst een complete bestuurlijke vernieuwing zien, zonder schotten tussen onderwijs, welzijn en zorg. “Maar goed overleg met de gemeente en met instanties als Jeugd & Gezin kan al veel oplossen.”

‘Eisvrij’

Buitenschoolse opvang is primair gericht op het welbevinden van kinderen. Wat kinderen daar ervaren, creëert een stevige bodem voor hun functioneren nu en later. Dat is de opvatting van Sacha Ausems, voorzitter van de Raad van Bestuur van Stichting Kinderopvang Humanitas. Ook zij leverde een bijdrage aan Op naar een integrale aanpak. “De buitenschoolse opvang biedt een ontmoetingsplek. Kinderen kunnen in een veilige setting oefenen met het nemen van initiatieven en verantwoordelijkheden. Ze leren onderhandelen en creatief denken, ze ontdekken waar ze goed in zijn en het is een sociaal stimulerende omgeving.” In Rotterdam heeft Humanitas een nieuw concept ontwikkeld voor buitenschoolse opvang: ‘Eisvrij’. Dit alternatief voor de traditionele opvang wordt dit schooljaar op vijf basisscholen uitgeprobeerd. “Iedere dag een ontdekkingsreis”, typeert Ausems het concept. “Kinderen trekken de wijk in en leren bijvoorbeeld hoe je een sleutel moet bijmaken en wat een barrista doet. Ze bezoeken het KPMG-gebouw en komen in aanraking met accountancy, ze gaan graffiti spuiten en maken kennis met dakloze Rotterdammers. Zo komen ze in contact met mensen uit allerlei culturen.” Ausems gelooft in ‘investeren in het normale leven’. “Als ouders bij de pedagogisch medewerkers terecht kunnen met opvoedvragen, of vragen over voeding of gezondheid, voorkom je dat een probleem escaleert. Je kunt ook iets betekenen voor kinderen met opvallend gedrag.” Als voorbeeld noemt Ausems een peuterspeelzaal in Den Haag, waar een paar stoeltjes gereserveerd zijn voor kinderen uit de Jeugdzorg. “Kinderen met autisme maken er bijvoorbeeld gebruik van. De pedagogisch medewerkers worden hiervoor getraind en er is ambulante hulp beschikbaar. Zo zou overal de jeugdzorg geïntegreerd moeten zijn in de opvang.” Ausems pleit voor meer onderzoek naar de effecten van niet-formeel leren en buitenschoolse opvang. ”Van onderwijs weten we heel veel, van vrijetijdsbesteding niet. Terwijl op de buitenschoolse opvang kinderen ook leren en zich ontwikkelen. Daar zou meer over bekend moeten zijn. Dan kunnen we de puzzel beter leggen om tot een goed aanbod voor kinderen te komen.” _

‘Op naar een integrale aanpak – ontschotting in het sociale domein’ is te bestellen via www.avs.nl/opnaareenintegraleaanpak

Gepubliceerd op: 1 december 2018

Verschenen in

Kader Primair 4 (2018-2019) (Verder in dit nummer)

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Naar andere schooltijden, en dan? (Herziene versie september 2019)