Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Frank Kalshoven kan mooi schrijven (maar ook selectief rekenen)

Frank Kalshoven kan mooi schrijven (maar ook selectief rekenen)

Auteur: Lex Albers, Ton Duif

Zaterdag 12 februari verscheen de wekelijkse column van Frank Kalshoven in de Volkskrant met als kop: `Het schoolmanagement kan niet rekenen." Dit was (kennelijk) een reactie op een ingezonden brief in de Volkskrant eerder die week, waarin een aantal bestuurders van grote organisaties voor Primair Onderwijs (PO) betoogden dat ondanks andere berichten, er wel degelijk bezuinigd wordt in het PO. Op het betoog van Frank Kalshoven valt echter nog wel wat af te dingen.

Laten we voorop stellen dat er nog best wat te verbeteren valt in de (financiële) bedrijfsvoering van de PO-sector. Dat blijkt uit het rapport van de commissie Don die onderzoek deed naar de vermogenspositie van het onderwijs en uit de evaluatie van de invoering van de lumpsum. Pas 4 jaar geleden kregen besturen zelf zeggenschap en inzicht in de loonkosten van hun organisatie (die meer dan 80% van de totale kosten van de sector betreffen). Tot dat moment was het ministerie daarvoor verantwoordelijk en gaf de schoolbesturen monopolygeld om hun loonkosten mee af te rekenen. Een sector die tientallen jaren klein gehouden is, moest opeens meedoen in de grotemensenwereld. Dat wil de sector wel, maar dat gaat natuurlijk, net zoals iedereen leert, met vallen en opstaan.

Onze kritiek richt zich op de suggestie dat schoolbesturen 65% meer koopkracht (is dat ruimte voor eigen beleid?) zouden hebben gekregen en daar (vrijwel) niets mee gedaan hebben.

Belangrijkste punt van kritiek is dat Frank Kalshoven een ander perspectief kiest en dat hij een deel van de ontwikkelingen buiten zijn betoog laat.

Allereerst. De schoolbesturen gaven aan dat er de laatste jaren fors bezuinigd is op het PO, ondanks beloften van de vorige regering, verkiezingsbeloften van diverse (ook regerings)partijen en de toezegging van het huidige minderheidskabinet om niet bezuinigen. Als we kijken naar de hele onderwijskolom dan lijkt die uitspraak weliswaar gestand te worden gedaan, maar er wordt wel stevig geschoven, ook tussen de diverse onderwijssectoren. Er gaat bij het PO dus af en er komt bijv. bij het MBO bij. In het PO gaat het de laatste 2 jaar om zo´n 4 à 5 %!

Een tweede overweging is dat de overheid in de afgelopen 10 jaar (het perspectief van Frank Kalshoven) flink in het Primair Onderwijs geïnvesteerd heeft, maar dat er in de afgelopen 2 a 3 jaar weer geld afgehaald wordt (zo zegt de sector zelf). De overheid jojoot dus met de financiële middelen. Afhankelijk van de termijn waarop je het bekijkt komt er geld bij of gaat er geld af. Als voorbeeld noemen we de 100 miljoen voor de professionalisering van juist bestuur en management, ingevoerd bij de start van Lumpsum die vorig jaar in een keer is wegbezuinigd. Door dit jojo-effect is het ook niet eenvoudig betrouwbare lange termijn planningen te maken.

Ten derde. De loonruimte in het PO liep begin van deze eeuw achter op de marktsector. Dat betekent dat het PO steeds minder goed kon concurreren om geschikt personeel van kwalitatief goed niveau uit de markt te halen. Daarom is in twee etappes gekozen voor versterking van de sector. Eerst de Van Rijngelden en later het convenant Leerkracht om schalen in te korten en zwaardere functies (met hogere salarissen) in het PO mogelijk te maken. Deze stijgende loonkosten zijn verdisconteerd in de hogere vergoedingen aan de sector. Maar dat is dus geen toegenomen koopkracht voor de sector (wel voor de werknemers in die sector). Op de langere termijn hopen we daarmee ook ander personeel binnen de school te kunnen halen, maar dat gaat veel langzamer dan de kostenstijging. Door de hogere loonkosten nemen de financiële  risico´s toe wanneer er te laat personeel wordt ontslagen.

De eisen aan de sector zijn ook toegenomen. Deels door de overheid opgelegd, deels door een terugtredende overheid, deels door maatschappelijke ontwikkelingen (denk aan de doorvoering van klassenverkleining: meer mensen voor dezelfde hoeveelheid kinderen). Dat is lastig kwantificeren, maar het leidde er toe dat veel schoolbesturen besloten hebben om te gaan fuseren (wat onlangs weer als een negatief punt in het nieuws kwam. De overheid heeft daarom een fusietoets ingevoerd). Hoewel de schaalgrootte op zichzelf is toegenomen is juist de nog steeds bestaande kleinschaligheid in de sector mede oorzaak van achterblijvende bestuurlijke professionaliteit. De decentralisatie van verantwoordelijkheden naar schoolbesturen (lumpsum, personeelsbeleid, Passend Onderwijs, organisatie van Buitenschoolse opvang e.d.) leidde ertoe dat er meer kosten voor bedrijfsvoering moeten worden gemaakt. De overhead in het PO neemt dus toe, maar blijft overigens nog steeds een van de laagste in Nederland. Dat kun je toegenomen koopkracht noemen, maar feitelijk moet je er ook meer voor doen. En als je de laatste paar jaar dan weer een deel van die financiële ruimte weghaalt, maar niets aan de taken doet, dan gaat dat wringen.

Nog een andere kostenstijgende factor die niet tot een hogere productiviteit leidt, is de toegenomen welvaart bij alle Nederlanders (toegenomen koopkracht heet dat). Naast de andere salarissen als gevolg van de aanpassing aan de marktsector, wordt er ook een hoger salaris betaald omdat (net als alle Nederlanders) er sprake is van salarisverhogingen boven de inflatiecorrectie uit. En heel Nederland is de laatste 10 jaar welvarender geworden met in totaal zo´n 16% (zie de website van het CBS, Frank).

De laatste jaren heeft de overheid veelvuldig het geoormerkte-subsidie-instrument gebruikt. Vanuit allerlei potjes werd geld beschikbaar gesteld voor juist die zaken die de overheid graag in het onderwijs wilde initiëren. Naast de enorme financiële verantwoordingslast die daar bij kwam kijken  (soms waren die kosten zelfs hoger dan het toegekende subsidiebedrag) maakte dit de begrotingen van de instellingen uitermate instabiel. Sluipenderwijs verdwenen deze investeringen echter weer na korte tijd uit de onderwijsbegroting.

En tenslotte het dilemma van Beamol. Deze econoom noemde in een artikel in 1967 als voorbeeld dat een strijkkwintet van Mozart nog steeds door 5 personen moet worden uitgevoerd, maar die 5 personen kosten nu wel veel meer dan in de tijd van Mozart zelf. Dat is kenmerkend voor de gehele dienstensector in Nederland. De PO-sector heeft daar dus ook mee te maken (gevoed met de beeldvorming in de maatschappij. We vinden het raar als voortaan één leerkracht met behulp van 50 computers aan 50 leerlingen les geeft. Dat vinden we niet goed, omdat onze ervaring leert dat veel leren plaats heeft in interacties tussen mensen.) Maar het laat onverlet dat er best wat meer geëxperimenteerd mag worden met andere lesvormen, waardoor we toch een hoger rendement (in onderwijsopbrengst, niet in financiële middelen) van het bestede geld krijgen. Dat is een opdracht aan de sector zelf (heb lef om te innoveren) en aan de overheid en de samenleving, geef ons de ruimte om te innoveren, door niet steeds alleen maar naar de Citoscore te kijken.

Onze algemene conclusie is dan ook, dat er wel meer geld naar het Primair Onderwijs is gegaan, maar dat dit slechts zeer beperkt tot meer koopkracht en beleidsruimte voor de schoolorganisaties heeft geleid.

 

 

Gepubliceerd op: 17 februari 2011
Let op!
Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.

Verschenen in

Thema's

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Goed onderwijs, goede MR (8e herziene uitgave september 2019)