Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » Een tikkende pen kan al te veel zijn
Van speciaal basisonderwijs naar voortgezet onderwijs

Een tikkende pen kan al te veel zijn

Auteur: Astrid van de Weijenberg

Met de komst van Passend onderwijs is de verwachting dat steeds meer leerlingen zullen overstappen van speciaal basisonderwijs naar regulier voortgezet onderwijs. Ook kinderen met gedragsproblemen blijven langer in het regulier onderwijs. Hoe gaan scholen om met leerlingen die meer zorg nodig hebben dan gemiddeld?

Daar staat hij dan, de nieuwe brugklasser met zijn veel te zware rugtas op een soms veel te grote school. Zeker voor een leerling die uit het speciaal onderwijs komt, is de overgang naar het voortgezet onderwijs groot. Gewend als hij is aan kleine klasjes, met een juf of meester die met hem kan lezen en schrijven. Nu moet hij zich een weg banen door stromen andere pubers op zoek naar het volgende lokaal en de volgende docent. Die weer iets heel anders van hem verwacht dan de vorige. Daarom kiezen relatief veel leerlingen uit het speciaal onderwijs voor de kleine vmbo/havo-school Bernard Nieuwentijt College in Monnickendam (275 leerlingen), vertelt directeur Raymond Weijgertse. “We hebben vijf keer meer zorgarrangementen dan andere scholen. We hadden altijd al meer zorgleerlingen en daarop is onze zorg ingericht, met een fulltime orthopedagoog en een leerlingbegeleider. Met als gevolg dat die goede zorg weer meer zorgleerlingen trekt. We hebben een goede naam bij de sbo-school in de buurt, dus denken ouders: ‘We gaan het proberen in het regulier onderwijs’.” De school heeft geen maximum gesteld aan het aantal zorgleerlingen. Dat komt omdat het ene kind het andere niet is. Weijgertse: “Met kinderen met een stoornis in het autistisch spectrum kunnen we bijvoorbeeld heel goed overweg, beter dan met kinderen met externaliserende gedragsstoornissen. Maar zonder quotum gaat het soms mis. Vorig jaar hadden we een havo-brugklas met tien kinderen met een diagnose, diagnoses die ook niet al te goed bij elkaar pasten.” Kinderen die uit het speciaal onderwijs komen, zijn dan niet eens de moeilijkste groep, vindt Weijgertse. “Je weet van alles en zelf weten de kinderen ook best wie ze zijn. Ze kunnen vaak al redelijk omgaan met hun beperkingen. Net als hun ouders, die meestal erg betrokken zijn.”

Bewerkelijke klas
Een groep waar Weijgertse nogal eens zorgen over heeft, zijn leerlingen uit het basisonderwijs die evident een ontwikkelingsstoornis hebben, maar waarmee nooit iets is gedaan. Ze komen van de basisschool zonder documentatie. Daar, in een vertrouwde omgeving, ging het nog wel redelijk goed. Op een nieuwe school, met verschillende leraren en vakken op één dag, en met opkomend pubergedrag, loopt het spaak. Docent wiskunde Ingrid de Vries op het Bernard Nieuwentijt College was vorig jaar mentor van de bewerkelijke havo-brugklas. Ze is ervaringsdeskundige, want thuis heeft ze een zoon, een dochter en een man met ADHD, Asperger, PDDNOS of een combinatie. “Geen saai moment bij ons thuis dus”, zegt ze. “Je hebt engelengeduld nodig en dus tijd. Dan is een klas met dertig leerlingen te veel.” Ook belangrijk vindt ze scholing: uitleggen wat ASS betekent. Docenten moeten weten dat kinderen het er niet om doen. Soms denken ze: ‘Hij is slim genoeg om te weten wat er van hem verwacht wordt’. Maar dat geldt lang niet voor allemaal. Vaak is het puur onvermogen. Psycho-educatie is voor deze kinderen heel belangrijk: weten wat je hebt en hoe je ermee omgaat. En dan nog blijft het empathisch vermogen heel klein.”

Rondje rennen
Dat docenten vaak niet weten wat ze met die leerlingen met ADHD aan moeten in een klas van soms dertig kinderen, heeft ook Jan Castelein ervaren. Castelein is oud-directeur van diverse scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (en scholen met zowel vso als regulier voortgezet en primair onderwijs). “Te vaak worden kinderen met probleemgedrag doorverwezen naar het speciaal onderwijs. Niet omdat ze daar horen, maar omdat scholen niet met ze om kunnen gaan. Je moet het gedrag in de juiste proporties zien. Kinderen met ADHD bijvoorbeeld zijn na drie lesuren op. Die moet je even wat anders laten doen, een rondje rennen, een boodschap doen, even op de fiets weg. Soms zijn het simpele dingen. Een school moet oog hebben voor de speciale noden van zo’n kind.”

“Voorwaarde voor onderwijs aan deze kinderen is wezenlijke interesse in hen”, vindt Castelein. “Maar begrip mag niet zover gaan dat de hele klas lijdt onder de beperking van een enkele leerling. De klas verwacht les en de leraar is geen moeder. Maar waar die grens ligt, is voor iedere docent anders. Durf je eigen professionaliteit ter discussie te stellen. Durf te zeggen: ‘Die jongen kan beter niet bij mij in de klas zitten’. Krijgen leraren die ruimte van hun collega’s en directeur zonder veroordeling, zonder dat je te boek staat als een loser? Als je als team samen de grenzen aan kunt geven, als de ondersteuning van leraren hierbij goed is ingebed in je organisatie, kun je ook Passend onderwijs aan.” Zowel leerlingen als docenten moeten hun hart kunnen luchten, vindt directeur Raymond Weijgertse. “Voor beiden komt er altijd wel weer een moment dat ze door het plafond gaan. En soms moet je stoppen met alles bijzonder te vinden. School is ook gewoon school: we weten ‘het’ en ondanks dat moet je het ermee doen. Ook later is de samenleving niet ingericht op uitzonderingen. Dat zeg ik ook tegen ouders als ze te hoge verwachtingen hebben.”

Prikkels
Het is verstandig, vindt ook Patricia Ligthart, ouder van een zoon met Asperger, dat school en ouders goede afspraken maken over de begeleiding. En ook bespreken wat een school wel en wat niet kan bieden. Dan weten ouders ook welke ondersteuning ze buiten school moeten zoeken. Ligthart is lid van de Ondersteuningsplanraad (OPR) van het vo Waterland en HRM-adviseur in het vo. De OPR is het medezeggenschapsorgaan van het samenwerkingsverband Passend onderwijs. Zij ziet dat er steeds meer scholen werken met trajectklassen, een schakel tussen regulier en speciaal onderwijs en opvang voor leerlingen die tijdelijk niet in de reguliere klas meekunnen. Op het Christelijk College Groevenbeek in Ermelo en Putten hebben ze twee jaar geleden zo’n aparte klas ingericht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, Pluspunt geheten. Bij Pluspunt komen ook leerlingen die even niet lekker in hun vel zitten, kortdurend, langdurend, intensief begeleid of licht. Pluspunt bestaat uit een groot lokaal, huiselijk ingericht, met drie kleine kantoortjes erbij. “Aan de grote houten tafel eten kinderen tijdens de pauze hun boterhammen. In de kantine krijgen ze namelijk te veel prikkels”, vertelt Harriët van der Gaag, onderwijsassistente van Pluspunt. “Ze hangen even op de bank met een spelletje of ik praat met ze over de ochtend. Dat kan ook gedurende de lestijd. Een leerling die bijvoorbeeld autistisch is, kan na drie lesuren even behoefte hebben om zich terug te trekken. De docent vult dan een kaart in en stuurt hem naar ons. Of ze komen bij ons een toets maken, omdat ze stilte nodig hebben Een tikkende pen kan dan al te veel zijn.” ’s Morgens pakken de medewerkers van Pluspunt samen met leerlingen die slecht zijn in organiseren en plannen hun tas in voor de komende uren. Daarom beschikt de leerling over een boekenset thuis en een op school. Al die kleine dingen helpen. Even buiten lopen? Van der Gaag spreekt een tijd af en houdt in de gaten dat de leerling weer terugkomt. ’s Middags komen ze er hun huiswerk maken. Christelijk College Groevenbeek werkt met een kaartsysteem voor docenten waarop staat wat de leerling nodig heeft: controle van het huiswerk, controleren of het huiswerk in de agenda staat, een time-out, et cetera.

Aparte status
Het Jan van Egmond Lyceum in Purmerend kent een vergelijkbare klas, de Trajectklas. Dit jaar gestart als opvolging van het tweede jaar van de Special Class. De Special Class bestaat al vier jaar, voor leerlingen met een havo/vwo-niveau maar met onvoldoende vaardigheden door bijvoorbeeld ADHD of autisme. Hoewel een diagnose geen voorwaarde is. De Special Class bestaat uit twaalf leerlingen. In de ochtend krijgen ze les, in de middag maken ze huiswerk. Aanvankelijk bleven de leerlingen twee jaar in de Special Class. Daarna stroomden ze door naar het reguliere voortgezet onderwijs. Twee jaar bleek te lang, vertelt zorgcoördinator Esther Bakker. “We merkten dat leerlingen en leraren te veel gaan wennen aan de aparte status. Wat voor sommige leerlingen een vrijbrief is om zich niet meer aan de regels te houden. Bovendien ging er veel aandacht naar deze klas, terwijl ook andere leerlingen in andere leerjaren begeleiding nodig hebben. Leerlingen die bijvoorbeeld langdurig ziek thuis zijn, maar wel ieder dag een uurtje naar school komen. Die houd je op deze manier betrokken. In de Trajectklas is er ruimte voor allerlei soorten leerlingen.”

Gepubliceerd op: 9 januari 2015

Verschenen in

Kader Primair 5 (2014-2015) (Verder in dit nummer)

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Op naar een integrale aanpak (Ontschotting in het sociale domein)