Zie deze pagina Klik hier om meer te weten te komen
Waarom niet hier checken pillen-zonder-voorschrift.com
Home » Artikelen » De jongens tegen de meisjes: wie doet ’t beter in het onderwijs?

De jongens tegen de meisjes: wie doet ’t beter in het onderwijs?

Auteur: Larissa Pans

De discussie welke sekse het meest ‘profiteert’ van het Nederlandse onderwijs woedt al heel lang. Ook verschillen de meningen over de vraag of het vooral de manier van lesgeven is of de verschillen tussen de hersenen van jongens en meisjes, waardoor de prestaties worden beïnvloed. Drie experts laten hun licht schijnen over dit meanderende debat en docent en pedagoog Kimo Steenaart, oprichter van een vmbo-afdeling met ‘jongensachtige kenmerken’, vertelt hoe haar school te werk gaat.

Toen hoogleraar Onderwijskunde aan de Open Universiteit Jos Claessen in de jaren zeventig in de collegebanken zat, leerde hij van zijn toenmalige professor Jos van Kemenade over de drie ijzeren wetten met betrekking tot onderwijsachterstand in Nederland. Het betrof leerlingen uit drie doelgroepen: de lagere sociaaleconomische milieus, de allochtone milieus en… meisjes. Claessen vertelt het grinnikend, nu de discussie over waarom jongens slechter presteren dan meisjes in het Nederlandse onderwijs weer is opgelaaid. Hij wil maar zeggen: nog niet eens zo verschrikkelijk lang geleden was het precies omgekeerd.
 
Verschillen en mythes
Eind 2018 verzocht de Tweede Kamer de Onderwijsraad om onderzoek te verrichten naar het verschil in prestatie tussen jongens en meisjes. De centrale vraag: waarom presteren meisjes in het onderwijs beter dan jongens? Welke factoren binnen het onderwijs verklaren de verschillen en als er iets aan gedaan moet worden, wat zou dat dan zijn? Uit CBS-data blijkt dat jongens halverwege de middelbare school vaker dan meisjes op een lager dan eerder geadviseerd schoolniveau terechtkomen (24 procent van de jongens versus 15 procent van de meisjes). Ook komen meisjes vaker dan jongens uit op een hoger schoolniveau dan de basisschool had geadviseerd (ruim 30 procent van de meisjes stijgt, tegenover rond de 20 procent van de jongens). Meisjes halen hogere cijfers, blijven minder vaak zitten en zijn in de meerderheid in het hoger onderwijs. “Bepaalde zaken die we vandaag in het onderwijs belangrijk vinden, zoals communicatie en reflectie, zouden meer in lijn liggen met de kwaliteiten van meisjes. Maar of dat nu van nature zo is of door opvoeding is de vraag”, zegt pedagoog, onderzoeker en schrijver Pedro De Bruyckere (Universiteit Leiden). Hij schreef een veelgelezen boek over ‘mythes in het onderwijs’ en houdt regelmatig lezingen over dit thema. Eind februari komt zijn nieuwe boek ‘Juffen zijn toffer dan meesters en nog meer mythes over leren en onderwijs’ uit. Hierin staan 32 gloednieuwe mythes. “Maar waak voor stereotypering”, zegt De Bruyckere. “De werkelijkheid is complex. Onder de sterke leerlingen duiken ook veel jongens op. De verschillen binnen een sekse zijn ook groot. De grootste mythe is nog altijd dat hét meisje en dé jongen bestaan. En het is nog altijd zo dat geslacht niet de enige of beste voorspellende factor is voor onderwijssucces. De factor omgeving bijvoorbeeld is veel bepalender: een meisje dat uit een arm milieu komt en dat weinig geprikkeld wordt, heeft een grote kans op een laag onderwijsniveau of een gefnuikte schoolcarrière.”
 
Rijping van de hersenen
Onderzoeker Annemarie van Langen van onderzoeksbureau KBA Nijmegen wijst erop dat niet zozeer de onderwijsprestaties van jongens en meisjes verschillen, maar hun schoolloopbanen. “Aan het eind van groep 8 presteren jongens even goed als meisjes. Jongens zijn iets beter in rekenen en wiskunde, meisjes in taal. Ook in de schooladviezen die zij dan krijgen, zie je nauwelijks sekseverschil. Pas in de jaren erna, de eerste jaren op het voortgezet onderwijs, gaat de schoolloopbaan van jongens en meisjes verschillen. Meisjes ‘stromen eerder op’ (gaan naar een hoger schoolniveau dan het advies, red.), terwijl er meer jongens zitten in de groep ‘afstromers’ (komen in een lager schoolniveau terecht dan het basisschooladvies, red.). Die laatsten blijven zitten of stromen zelfs uit.”
Ook hoogleraar Onderwijskunde Claessen signaleert dat in de brugklasperiode voor veel jongens ‘de klap valt’. “Veel jongens overschatten zichzelf, zijn minder vlijtig dan meisjes en plannen hun huiswerk niet goed. Meisjes zijn adaptiever ingesteld, bekijken in welke situatie ze zitten en hoe ze zich kunnen aanpassen. Aan het eind van het derde jaar zit er 8 procent verschil tussen de aantallen jongens en meisjes op een hoog schoolniveau. Jongens blijken veel vaker te zijn afgezakt dan meisjes.” Dat heeft vooral met de rijping van de hersenen te maken. Studies laten zien dat jongens bij de ontwikkeling van vaardigheden als motivatie, keuzegedrag, plannen en prioritering achterlopen op meisjes. Meisjes zouden twee jaar voor lopen met de rijping van hun hersenen op jongens. Claessen: “Dat zie je terug in hun schoolhouding: meisjes zijn ijveriger, lezen meer, gamen minder en doen meer aan hun huiswerk. Ze zijn beter in het organiseren en plannen van school dan jongens.” De Bruyckere: “Het gamen bij meisjes neemt de laatste tijd ook toe, al kunnen de soorten games verschillen. Het lijkt inderdaad wel zo dat meisjes gemiddeld beter kunnen focussen en plannen, belangrijke eigenschappen voor succes in het voortgezet onderwijs.”
 
Organisatie brugklasonderwijs
Ook onderzoeker Van Langen heeft het over niet-cognitieve zaken die meespelen bij betere prestaties. “Neem ijver bij meisjes of hun werkhouding, dat zegt iets over hun motivatie. Ze benutten hun talenten op de een of andere manier beter dan jongens. Is dat aangeboren of aangeleerd, is natuurlijk de klassieke vraag.” Wat het antwoord op deze complexe vraag ook is, scholen en schoolleiders in het vo zouden toch eens moeten nagaan hoe zij het doen op dit vlak, vindt Claessen. “Zoek eens uit hoe de jongens en meisjes in je leerlingenbestand het doen in de brugjaren. Ga na hoe de brugjaren zijn georganiseerd: is het onderwijsproces zo opgezet dat er houvast en structuur is voor de brugklassers? Het klinkt traditioneel, maar zoek contact met ouders en houd met docenten de vinger aan de pols over leerprestaties van jongens. Laat ze niet freewheelen tot Kerstmis.” Zijn organisatieadvies luidt: “Zet brede brugklassen op, met een lange brugperiode. Zodat achterblijvers de tijd hebben om weer ‘aan te haken’, om weer bij het peloton te komen.” Van Langen voegt toe: “Het is de taak van het onderwijs om het maximale uit kinderen te halen. Het gaat hier om onderbenutting van talent en welke gevolgen dat heeft. Onderwijs hoort meritocratisch te zijn.”
 
Arbeidsmarkt
Tijdens hun schoolloopbaan lopen meisjes voorop, maar in hun werkzame leven is dat anders. Vrouwen verdienen niet overal evenveel als mannen voor hetzelfde werk en er zijn minder vrouwelijke hoogleraren en CEO’s dan mannelijke. Het onderwijs kan eraan bijdragen dat dit verandert, vindt Claessen, bijvoorbeeld door de keuze voor een fulltime baan te stimuleren. “Vrouwen verdienen in een eerste baan per uur meer dan mannen, maar als totaal verdienen ze minder, omdat ze parttime werken. In deeltijdbanen is minder gelegenheid om je bij te scholen, promotie te maken en managementervaring op te doen. De voorsprong in het onderwijs verdampt op de arbeidsmarkt. En de combinatie met zwangerschap en kinderen pakt ook nog eens nadelig uit op de loopbaan van ­vrouwen.”
 
 
Vmbo met ‘jongenskenmerken’
Twee jaar geleden vertelde Kimo Steenaart (docent en pedagoog) in Kader Primair over haar initiatief om een vmbo-opleiding te starten waarin met name jongens meer tot hun recht komen. Haar doel was een KIEM/vmbo-school, gericht op de specifieke ontwikkelkenmerken en talenten van jongens. Al staat de opleiding net zo goed open voor meisjes. Inmiddels is de eerste brugklas van start gegaan in september 2018 binnen het al bestaande Amsterdamse Metis Montessori Lyceum. Dertig leerlingen, iets meer jongens dan meisjes (17 om 13), beginnen iedere schooldag met sport. Huiswerk wordt niet opgegeven, opdrachten worden binnen schooltijd aangereikt en gemaakt. Ieder vak telt twee klokuren, de boeken mogen op school gelaten worden. Steenaart: “We hebben het wel zo ingesteld dat als een opdracht niet afkomt, leerlingen het verderop in de week kunnen inhalen in een inhaaluur. Uiteindelijk worden we allemaal volwassen mensen, maar het gaat om het stukje tussen kindertijd en volwassenheid. Geef je tieners de tijd om te rijpen, om buiten de lijntjes te kleuren en te bewegen? Ik vind dat we ze dat moeten gunnen. Als ze 15 zijn, begrijpen velen opeens wel het systeem en hoe je het moet aanpakken. Leerlingen en ouders zijn heel enthousiast over deze vorm van onderwijs. Ik hoor van ouders dat ze veel minder ruzie hebben met hun kind.” Voor volgend schooljaar staan er drie brugklassen in de planning met dit type onderwijs.

Gepubliceerd op: 9 maart 2019

Verschenen in

Kader Primair 7 (2018-2019) (Verder in dit nummer)

Doelgroep(en)

Primair onderwijs

 

Deel dit artikel

Op naar een integrale aanpak (Ontschotting in het sociale domein)