Home » Vereniging » Helpdesk » Veelgestelde vragen » WW en BBWO - wat zijn de wijzigingen


Veelgestelde vragen - WW en BBWO - wat zijn de wijzigingen

Welke wijzigingen hebben er in de WW en BBWO vanaf 1 januari 2006 plaatsgevonden en welke wijziging van de BBWO vanaf 1 januari 2008?

Auteur: AVS Helpdesk

In deze notitie wordt eerst ingegaan op een stukje historie rondom wachtgelduitkeringen in het onderwijs. Daarnaast wordt ingegaan op de wijzigingen die zich van af 1 januari 2006 in de WW en het besluit bovenwettelijke wachtgeld aanspraken onderwijspersoneel (BBWO-uitkering) hebben voorgedaan. Tevens worden de wijzigingen in de BBWO aangegeven vanaf 1 januari 2008.

Tenslotte wordt in een bijlage aan de hand van een aantal stappen de opbouw van de uitkeringen aangegeven.

Historie
De BWOO-uitkering trad in werking met ingang van 1 maart 1994. Met de invoering van deze uitkering werd qua systematiek vooruitgelopen op de OOW-operatie (overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, waaronder de wettelijke werkloosheidsregeling). De BWOO-uitkering kwam in de plaats van uitkeringen op grond van hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel. Dit besluit geldt alleen nog als overgangrecht voor de betrokkenen die op 28 februari 1994 aanspraak hadden op deze uitkering. Het verschil ”I-H” en BWOO heeft vooral betrekking op het feit dat de I-H-uitkering een zelfstandig recht betrof dat uitging van ontslag en niet van werkloosheid. Het verschil tussen BWOO en het later ingevoerde BBWO was het zelfstandig recht zonder dat er aanspraak bestond op grond van een wettelijke werkloosheidsuitkering. Overheidspersoneel- en onderwijspersoneel hadden immers nog geen aanspraak op de werknemersverzekeringen WW, WAO en ZW. De BBWO-uitkering echter betreft een aanvulling en een aansluiting op de wettelijke werkloosheidsuitkering. Tevens werd met de invoering van de BBWO de hoogte van de ontslaguitkering en de uitkeringsduur, zoals die van toepassing waren bij de BWOO, naar beneden bijgesteld.

Op grond van de OOW-operatie is de WW uiteindelijk op 1 januari 2001 van kracht geworden voor de overheids- en onderwijssectoren, in de meeste gevallen aangevuld met een boven- en nawettelijke uitkering (BBWO voor PO, VO en BVE). Tot die tijd werd er fictief een WW-uitkering vastgesteld en werd daarnaast de hoogte van de BWOO-uitkering bepaald. De BWOO-uitkering werd uiteindelijk uitbetaald.

Vanaf 1 januari 2001 werd eerst de wettelijke uitkering vastgesteld en daarna de hoogte van de aanvullende uitkering (BBWO-uitkering). De uitvoeringsinstelling stelde beide uitkeringen vast en betaalde die als één uitkering gelijktijdig uit.

Wijzigingen vanaf 1 januari 2006
De invoering van de Wet walvis met ingang van 1 januari 2006 is van invloed geweest op de vaststelling van het dagloon in het kader van de werknemersverzekeringen. Daarnaast werd met ingang van 1 april 2006 de zogenoemde wekeneis in de WW aangepast.

Met ingang van 1 oktober 2006 is de BBWO-uitkering opnieuw aangepast i.v.m.

  • de inwerkingtreding van de Wet wijziging WW-stelsel (stb. 303);
  • het feit dat de uitvoering van het BBWO zal overgaan van het UWV naar een andere uitvoerder (Loyalis) per 1 april 2007.

Aangezien de feitelijke aanpassing zoals die vanaf 1 oktober 2006 is gaan gelden niet op tijd in het Staatsblad is verschenen en er sprake is van een ander uitvoeringsorgaan per 1 april 2007 (Loyalis i.p.v. UWV) voor de bovenwettelijke aanspraak, is met de overlegpartners overeengekomen dat er tot 1 april 2007 een overgangsperiode geldt. Dit overgangsrecht houdt in dat de betrokkenen die in de periode 1 oktober 2006 tot 1 april 2007 werkloos worden en een WW + BBWO-uitkering aanvragen, die krijgen toegekend op basis van de condities zoals die tot 1 oktober 2006 golden.

Betrokkenen die dus vanaf 1 april 2007 werkloos worden en een uitkering aanvragen krijgen die toegekend op basis van de rechten die gelden met ingang van 1 april 2007, dus zonder toepassing van overgangsrecht.

In onderstaand overzicht worden de verschillen aangegeven vanaf 1 januari 2006.

Belangrijkste aanpassingen binnen WW vanaf 1 januari 2006

  • Dagloonvaststelling gewijzigd (1 januari 2006)
  • Wijziging wekeneis (1 april 2006)
  • Onderscheid loongerelateerde en kortdurende uitkering (KDU) vervalt door afschaffing KDU(1 oktober 2006).
  • Hoogte uitkering: eerste 2 maanden 75% van loon en daarna 70% (1 oktober 2006)
  • Maximumduur uitkering verkort van 60 naar 38 maanden (1 oktober 2006)

Dagloonvaststelling
De Wet Walvis per 1 januari 2006 heeft consequenties gehad op de vaststelling van het loon dat in aanmerking komt voor een uitkering. Tot die tijd kon gesteld worden dat het laatstgenoten brutosalaris de basis was voor de dagloon vaststelling. Vanaf 1-1-2006 geldt de heffinggrondslag. De heffinggrondslag is het resultaat van het brutosalaris minus de betaalde pensioenpremies.

Wekeneis
Met ingang van 1 april 2006 is de wekeneis aangepast. De wekeneis maakt onderdeel uit van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. De wekeneis houdt in dat de werknemer in 36 weken (was 39) voorafgaande aan de werkloosheid in tenminste 26 weken arbeid moet hebben verricht.

Hierop bestaat één uitzondering. Een betrokken die in een aaneengesloten periode van 26 weken niet tijdelijk werkzaam is geweest, maar over een periode van 36 weken wel in 20 weken tijdelijk werkzaamheden heeft verricht, komt in dat geval in aanmerking voor de BWOO-uitkering. Deze bepaling is terug te vinden in het Algemeen bindend voorschrift: Regels voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene geen recht op uitkering op grond van de WW heeft (Gele katern 2001, nr 9).

Onderscheid langdurige en kortdurende uitkering vervalt
Of men in aanmerking kwam voor een loongerelateerde of kortdurende uitkering (KDU) hing af of men voldeed aan de weken- en jareneis. Voldeed men aan de wekeneis, maar niet aan de jareneis, dan had men aanspraak op een korte uitkering van 6 maanden. Deze aanspraak is met ingang van 1 oktober 2006 vervallen. Vanaf 1 oktober 2006 geldt dat men aanspraak heeft op 3 maanden WW als alleen wordt voldaan aan de wekeneis.

Hoogte uitkering
Vanaf 1 oktober 2006 bedraagt de hoogte van de WW de eerste 2 maanden 75% van het loon en daarna 70% waarbij rekening wordt gehouden met het maximumdagloon (in het BBWO wordt geen rekening gehouden met de maximumdagloongrens. Het is 78% en 70% van het ongemaximeerde dagloon.).

Voor de werknemer die alleen in aanmerking kwam voor de kortdurende uitkering bedroeg de uitkering 70% van het minimumloon (BBWO: 108% minimumloon tenzij het oude loon lager was). Kwam men in aanmerking voor de loongerelateerde uitkering dan bedroeg de uitkering 70% van het dagloon.

Maximumduur uitkering verkort
De maximumduur van de WW-uitkering is teruggebracht van 60 naar 38 maanden.

Wijzigingen BBWO vanaf 1 januari 2008
Met ingang van 1 januari 2008 is de uitkeringsduur voor de betrokkene met een leeftijd van 50 jaar aangepast, zowel in de positieve als negatieve zin.

Het betreffende lid is als volgt gaan luiden:

De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12 jaar en

  1. 53 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt;
  2. 52 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;
  3. 51 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;
  4. 50 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 63 jaar wordt.

In onderstaand overzicht worden de verschillen WW en BBWO (+ overgangsrecht) vanaf 1 oktober 2006 naast elkaar gezet.

Onderwerp

tot 1 oktober 2006

Overgangsrecht 1 oktober 2006 tot 1 april 2006

Vanaf 1 april 2007

Aanvraag

De WW-uitkering en BBWO vindt met één aanvraag plaats bij het UWV

Idem

De WW-uitkering wordt aangevraagd bij het UWV en de BBWO wordt aangevraagd bij Loyalis

Tijdstip aanvraag

Binnen 1 week na eerste werkloosheidsdag

Idem

WW-uitkering binnen 1 week na eerste werkloosheidsdag

BBWO 3 maanden na eerste werkloosheidsdag

Rechten

Blijven voor betrokkenen die voor 1 oktober 2006 aanspraak hebben op BBWO gebaseerd op de situatie 30 september 2006

Hebben BBWO recht op basis van de condities die op 30 september 2006 golden, waarbij WW rechten van voor 1 oktober 2006 bovenwettelijk in het BBWO worden toegekend.

Zoals die gelden vanaf 1 april 2007.

Onderscheid uitkeringen

Loongerelateerd (LGU) = WW

kortdurende uitkering (KDU) = WW

Aansluitende uitkering (ASU) = BBWO

LGU, KDU en ASU

LGU vervalt, wordt WW

KU vervalt.

ASU blijft gelden = BBWO

Duur LGU

60 maanden maximaal

LGU is vervallen en wordt WW voor maximaal 38 maanden. Op basis overgangsrecht BBWO wordt de duur eventueel op basis BBWO 30/9 verlengd tot maximaal 60 maanden.

= WW maximaal 38 maanden

Duur KDU

6 maanden

KDU is vervallen: alleen nog sprake van een uitkering via WW voor max. 3 maanden. Na afloop hiervan 3 maanden recht via Overgangsrecht BBWO.

Vervallen

Duur ASU

Zie Bijlage

Geen wijziging

Geen wijziging

Hoogte LGU WW

70%, rekening houdend met het maximum dagloon.

LGU vervalt en wordt WW: eerste 2 maanden 75% en daarna 70% rekeninghoudend met max. dagloon.

Geen wijziging

Hoogte LGU BBWO

78% zonder rekening te met max. dagloon

Idem

Idem

Hoogte KDU (WW)

70% v minimumloon

KDU is vervallen.

Is vervallen

Hoogte KDU

BBWO

Aanvulling tot 108% van minimumloon tenzij 70% van het oude loon lager is.

Na drie maanden WW wordt de verlenging op basis overgangsrecht BBWO uitbetaald naar 108% van minimumloon, tenzij 70% van het oude loon lager is.

Vervalt

Loonsuppletie

Ja

Geen wijziging

Geen wijziging

Uitbetaling

UWV betaalt BBWO en WW-aanspraken gelijktijdig uit

UWV betaalt WW BBWO-aanspraken (+ overgangsrechtelijk) gelijktijdig uit

UWV betaalt WW-uitkering maandelijks uit

Loyalis betaalt BBWO uitkering eens in de 3 maanden uit. Alleen de uitkering gebaseerd is op de situatie van voor 1 april 2007 wordt maandelijks uitbetaald.

Wekeneis

36 weken voor ontslag tenminste 26 weken arbeid hebben verricht

Geen wijziging

Geen wijziging

4 uit 5 eis

Gedurende de laatste 5 jaren voor werkloosheid in tenminste 4 kalenderjaren minimaal 52 dagen per jaar loon hebben ontvangen

Geen wijziging

Geen wijziging

Aansluitende uitkering BBWO

Op basis leeftijd en diensttijd binnen onderwijs kan na WW-uitkering een aansluitende uitkering worden genoten

Geen wijziging

Geen wijziging

BIJLAGE: VASTSTELLING WW EN BWOO-UITKERING
Deze bijlage bevat een summiere opsomming van een aantal feiten dat van belang is voor de vaststelling van een WW- of een BBWO uitkering.

Via een aantal stappen kan het recht op en de duur van de WW en BBWO worden vastgesteld.

Stap 1. Werkloosheid
Ten eerste dient te worden vastgesteld of iemand werkloos is: De regeling schrijft (art. 3) voor dat iemand werkloos is als hij:

a. tenminste vijf of meer van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren of

b. tenminste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren.

Bepalend daarbij is het gemiddelde aantal uren wat hij de laatste 26 kalenderweken onmiddel­lijk voorafgaand aan zijn ontslag werkzaam is geweest.

Voorbeeld

Oude patroon Nieuwe patroon Arbeidsuren Conclusie
20 uur 16 uur 4 uur niet werkloos
20 uur  13 uur 7 uur werkloos (a)
20 uur 10 uur 10 uur werkloos (a + b)
8 uur 5 uur  3 uur niet werkloos
8 uur 4 uur 4 uur werkloos (b)

Stap 2. Recht op WW-uitkering
Een betrokkene komt in aanmerking voor een WW indien hij voldoet aan

  • de wekeneis en/of
  • "4 uit 5 eis" (het feitelijk arbeidsverleden).

Wekeneis: Een betrokkene voldoet aan de referte-eis indien hij in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid, in tenminste 26 weken arbeid heeft verricht.

 

4 uit 5 eis: Deze eis houdt in dat betrokkene gedurende 5 kalenderjaren onmiddellijk vooraf­gaande aan het jaar waarin zijn werkloosheid is ingetreden, in ten minste 4 kalen­derjaren over 52 of meer dagen per jaar loon moet hebben genoten.

Stap 3. Duur WW
Als betrokkene alleen maar voldoet aan de referte-eis dan heeft hij aanspraak op 3 maanden WW-uitkering.

Voldoet betrokkene daarnaast ook aan de 4 uit 5 eis dan is de duur van de WW-aanspraak afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden (AVL). De AVL wordt bepaald door de optelling van:

  • het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het kalenderjaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot 1998 (fictief arbeidsverleden);

    en

  • het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 1998 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, waarover de werknemer over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen (feitelijk arbeidsverleden)

De uitkering duurt in dat geval in maanden even lang als het arbeidsverleden in jaren met een maximum van 38 maanden.

Arbeidsverleden

Duur WW-uitkering

4 jaar

4 maanden

18 jaar

18 maanden

38 jaar

38 maanden

40 jaar

38 maanden

Stap 4. Hoogte WW
De hoogte van de uitkering wordt afgeleid van het loon in het jaar voordat de werknemer werkloos wordt. De eerste 2 maanden bedraagt de uitkering 75% van het loon en daarna 70% waarbij rekening wordt gehouden met het maximumdagloon.

Stap 5. Bovenwettelijke aanspraken
De bovenwettelijke aanspraken bestaan uit:

a. Aanvulling WW-uitkering (via verhoogd percentage en aanvulling boven het maximum dagloon);

b. Aansluitende uitkering na de WW.

Ad a.Aanvulling WW-uitkering
De aanvulling bestaat voor de eerste 12 maanden van de WW-uitkering tot 78% en vervolgens tot 70% van het ongemaximeerde dagloon. Het ongemaximeerde dagloon betreft het salaris waar de uitkering op is gebaseerd.

Ad b. Aansluitende uitkering
Nadat de WW-uitkering is afgelopen is het mogelijk dat er sprake is van een bovenwettelijke verlenging ofwel de aansluitende uitkering. Of er sprake van een verlenging is afhankelijk van de leeftijd en de diensttijd van betrokkene. De volgende leeftijds­categorieën zijn te onderscheiden:

1. 40 t/m 44 jaar
2. 45 t/m 49 jaar
3. Vanaf 50 jaar

ad 1. Is de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag 40 jaar of ouder is en die onmiddellijk voorafgaande aan zijn werkloosheid tenminste 5 jaar ononderbroken een dienstverband heeft gehad aan een onderwijsinstelling. De uitkeringsduur wordt dan verlengd bij een leeftijd van:

  • 40 jaar met 1 jaar
  • 41 jaar met 1,5 jaar
  • 42 jaar met 2 jaar
  • 43 jaar met 2,5 jaar
  • 44 jaar of ouder, met 3 jaar

ad 2. Is de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag 45 jaar of ouder is en onmiddel­lijk voorafgaande aan zijn werkloosheid tenminste 7 jaar ononderbroken een dienst­verband heeft gehad aan een onderwijsinstelling. De uitkeringsduur wordt dan ver­lengd bij een leeftijd van:

  • 45 jaar met 3,5 jaar
  • 46 jaar met 4 jaar
  • 47 jaar met 4,5 jaar
  • 48 jaar met 5 jaar
  • 49 jaar of ouder, met 5,5 jaar

ad 3. De betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag 50 jaar of ouder is en die onmiddellijk voorafgaande aan zijn werkloosheid tenminste 12 jaar ononderbroken een dienstver­band heeft gehad, heeft bij de volgende leeftijd recht op een verlenging:

50 jaar: 10 jaar51 jaar of ouder: tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt.

ad 3 is met ingang van 1 januari 2008 gewijzigd in:

De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12 jaar en

a. 53 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt;
b. 52 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;
c. 51 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;
d. 50 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 63 jaar wordt.

De hoogte van de aansluitende uitkering bedraagt 70% van het maximum vastgestelde dagloon (maximumdagloon): € 247,29 met ingang van 1-1-2009

Voorbeeld:
Betrokkene is geboren in 1965 en wordt op 1 augustus 2008 op 43 jarige leeftijd ontslagen, is 21 jaar werkzaam in het onderwijs en verdient meer dan maximumdagloon. Hij heeft dus recht op de volgende uitkeringen:

WW-uitkering: (stap 2): fictief 18 j tot 1998: 14 jaar

Werkzaam van 1998 tot 2008: 10 jaar

Uitkeringsperiode WW: 24 jaar = 24 maanden = 2 jaar

BBWO (stap 5A: ad.1 ) leeftijd 43 jaar en 21 jaar diensttijd: 2 jaar en 6 maanden

Totale uitkeringsperiode: 4 jaar en 6 maanden

Trefwoorden: WAO en WIA

Gepubliceerd op: 17 augustus 2009